naturaliseren
werkwoordBetekenis
- het staatsburgerschap verlenen
Vervoeging van naturaliseren
naturaliserenhele werkwoord — naturaliseerdeverleden tijd enkelvoud — naturaliseerdenverleden tijd meervoud — genaturaliseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | naturaliseer | naturaliseerde |
| jij | naturaliseert | naturaliseerde |
| hij, zij, het | naturaliseert | naturaliseerde |
| wij | naturaliseren | naturaliseerden |
| jullie | naturaliseren | naturaliseerden |
| zij | naturaliseren | naturaliseerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben genaturaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent genaturaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is genaturaliseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was genaturaliseerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd genaturaliseerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt genaturaliseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal genaturaliseerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal genaturaliseerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou genaturaliseerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou genaturaliseerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| genaturaliseerd | verleden tijd, deelwoord |
| genaturaliseerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| genaturaliseerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| genaturaliseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| genaturaliseerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| genaturaliseerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| genaturaliseerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| genaturaliseerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| genaturaliseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| genaturaliseerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| genaturaliseerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had genaturaliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had genaturaliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had genaturaliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden genaturaliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden genaturaliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden genaturaliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt genaturaliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb genaturaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genaturaliseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben genaturaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genaturaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben genaturaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt genaturaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genaturaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genaturaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is genaturaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is genaturaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| naturaliseer | gebiedende wijs |
| naturaliseerde | verleden tijd |
| naturalisere | aanvoegende wijs |
| naturaliserend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben genaturaliseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te naturaliseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen naturaliseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart genaturaliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren genaturaliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren genaturaliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren genaturaliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was genaturaliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was genaturaliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was genaturaliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd genaturaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd genaturaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd genaturaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden genaturaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden genaturaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden genaturaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt genaturaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word genaturaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden genaturaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden genaturaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden genaturaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt genaturaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt genaturaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal genaturaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal genaturaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal genaturaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal genaturaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal genaturaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal genaturaliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal genaturaliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal naturaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal naturaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal naturaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn genaturaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn genaturaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn genaturaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt genaturaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou genaturaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou genaturaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou genaturaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou genaturaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou genaturaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou genaturaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou genaturaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou genaturaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou genaturaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou naturaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou naturaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou naturaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden genaturaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden genaturaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden genaturaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden genaturaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden genaturaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden genaturaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden genaturaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden genaturaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden genaturaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden naturaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden naturaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden naturaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt genaturaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt genaturaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt genaturaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt naturaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen genaturaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen genaturaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen genaturaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen genaturaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen genaturaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen genaturaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen genaturaliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen genaturaliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen genaturaliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen naturaliseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen naturaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen naturaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen naturaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult genaturaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult genaturaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult genaturaliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult naturaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘opnemen als staatsburger’ voor het eerst aangetroffen in 1597
Woordfamilie van naturaliseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| genaturaliseerd | voltooid deelwoord | naturaliseren |
| genaturaliseerde | woordvorm | naturaliseren |
| naturaliseer | gebiedende wijs | naturaliseren |
| naturaliseerde | verleden tijd | naturaliseren |
| naturaliseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | naturaliseren |
| naturaliseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | naturaliseren |
| naturalisere | aanvoegende wijs | naturaliseren |
| naturaliserend | onvoltooid deelwoord | naturaliseren |
| naturaliserende | woordvorm | naturaliseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van naturaliseren zijn vastgelegd.