natrappen
werkwoordBetekenis
- een trap na geven.
Vervoeging van natrappen
natrappenhele werkwoord — trapte naverleden tijd enkelvoud — trapten naverleden tijd meervoud — nagetraptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | trap na | trapte na |
| jij | trapt na | trapte na |
| hij, zij, het | trapt na | trapte na |
| wij | trappen na | trapten na |
| jullie | trappen na | trapten na |
| zij | trappen na | trapten na |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had nagetrapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had nagetrapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had nagetrapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden nagetrapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden nagetrapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden nagetrapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt nagetrapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb nagetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben nagetrapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben nagetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben nagetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben nagetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt nagetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft nagetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft nagetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| na te trappen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| na te zullen trappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| na zal trappen | bijzin, toekomende tijd |
| na zou trappen | bijzin, voorwaardelijk |
| na zouden trappen | bijzin, voorwaardelijk |
| na zoudt trappen | bijzin, voorwaardelijk |
| na zullen trappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| na zullen trappen | bijzin, toekomende tijd |
| na zult trappen | bijzin, toekomende tijd |
| nagetrapt | verleden tijd, deelwoord |
| nagetrapt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| nagetrapt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| natrap | bijzin, tegenwoordige tijd |
| natrappend | onvoltooid, deelwoord |
| natrapt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| natrapte | bijzin, verleden tijd |
| natrapten | bijzin, verleden tijd |
| te hebben nagetrapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen natrappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| trap na | gebiedende wijs |
| trapte na | verleden tijd |
| zal nagetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal nagetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal nagetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal natrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal natrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal natrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal natrappen | bijzin, toekomende tijd |
| zou nagetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou nagetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou nagetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou natrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou natrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou natrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou natrappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) natrappen na zou(dt) trappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden nagetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden nagetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden nagetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden natrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden natrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden natrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden natrappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt nagetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt natrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt natrappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen nagetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen nagetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen nagetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen natrappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen natrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen natrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen natrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen natrappen | bijzin, toekomende tijd |
| zult nagetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult natrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult natrappen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal natrappen na zult/zal trappen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van na bw en trappen ww
Woordfamilie van natrappen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| nagetrapt | voltooid deelwoord | natrappen |
| natrap | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | natrappen |
| natrappe | with-subordinate-clause | natrappen |
| natrappend | onvoltooid deelwoord | natrappen |
| natrappende | woordvorm | natrappen |
| natrapt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | natrappen |
| natrapte | subordinate-clause, verleden tijd | natrappen |
| natrapten | subordinate-clause, verleden tijd | natrappen |
| trap na | gebiedende wijs | natrappen |
| trappe na | woordvorm | natrappen |
| trappen na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | natrappen |
| trapt na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | natrappen |
| trapte na | verleden tijd | natrappen |
| trapten na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | natrappen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van natrappen zijn vastgelegd.