nalezen
werkwoordBetekenis
- iets ~ iets nogmaals lezen, gewoonlijk om te zien of men niet iets over het hoofd gezien heeft
- iets ~ op iets doorlezen op zoek naar iets bijzonders
Vervoeging van nalezen
nalezenhele werkwoord — las naverleden tijd enkelvoud — lazen naverleden tijd meervoud — nagelezenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | lees na | las na |
| jij | leest na | laast na |
| hij, zij, het | leest na | las na |
| wij | lezen na | lazen na |
| jullie | lezen na | lazen na |
| zij | lezen na | lazen na |
Alle 108 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is nagelezen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was nagelezen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd nagelezen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt nagelezen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal nagelezen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal nagelezen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou nagelezen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou nagelezen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had nagelezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had nagelezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had nagelezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden nagelezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden nagelezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden nagelezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt nagelezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb nagelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben nagelezen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben nagelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben nagelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben nagelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt nagelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft nagelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft nagelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is nagelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| las na | verleden tijd |
| lees na | gebiedende wijs |
| na te lezen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| na te zullen lezen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| na zal lezen | bijzin, toekomende tijd |
| na zou lezen | bijzin, voorwaardelijk |
| na zouden lezen | bijzin, voorwaardelijk |
| na zoudt lezen | bijzin, voorwaardelijk |
| na zullen lezen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| na zullen lezen | bijzin, toekomende tijd |
| na zult lezen | bijzin, toekomende tijd |
| nagelezen | verleden tijd, deelwoord |
| nagelezen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| nagelezen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| nagelezen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| nagelezen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| nagelezen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| nagelezen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| nagelezen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| nagelezen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| nagelezen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| nagelezen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| nalaast | bijzin, verleden tijd |
| nalas | bijzin, verleden tijd |
| nalazen | bijzin, verleden tijd |
| nalees | bijzin, tegenwoordige tijd |
| naleest | bijzin, tegenwoordige tijd |
| nalezend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben nagelezen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen nalezen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren nagelezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was nagelezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd nagelezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden nagelezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden nagelezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt nagelezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal nagelezen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal nagelezen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal nagelezen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal nagelezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal nagelezen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal nalezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal nalezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal nalezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal nalezen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn nagelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou nagelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou nagelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou nagelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou nagelezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou nagelezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou nalezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou nalezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou nalezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou nalezen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) nalezen na zou(dt) lezen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden nagelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden nagelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden nagelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden nagelezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden nagelezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden nalezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden nalezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden nalezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden nalezen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt nagelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt nalezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt nalezen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen nagelezen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen nagelezen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen nagelezen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen nagelezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen nagelezen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen nalezen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen nalezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen nalezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen nalezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen nalezen | bijzin, toekomende tijd |
| zult nagelezen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult nalezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult nalezen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal nalezen na zult/zal lezen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van na bw en lezen ww
Woordfamilie van nalezen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| laast na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | nalezen |
| lazen na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | nalezen |
| lees na | gebiedende wijs | nalezen |
| leest na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | nalezen |
| leze na | woordvorm | nalezen |
| lezen na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | nalezen |
| nagelezen | voltooid deelwoord | nalezen |
| nalaast | subordinate-clause, verleden tijd | nalezen |
| nalazen | subordinate-clause, verleden tijd | nalezen |
| nalees | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | nalezen |
| naleest | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | nalezen |
| naleze | with-subordinate-clause | nalezen |
| nalezend | onvoltooid deelwoord | nalezen |
| nalezende | woordvorm | nalezen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nalezen zijn vastgelegd.