nadragen
werkwoordBetekenis
- voortgaan iemand iets te verwijten
werkwoord
- achter iemand aan dragen transitive
- doorgaan met iemand iets uit het verleden te verwijten ditransitive
Vervoeging van nadragen
nadragenhele werkwoord — droeg naverleden tijd enkelvoud — droegen naverleden tijd meervoud — nagedragenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | draag na | droeg na |
| jij | draagt na | droeg na |
| hij, zij, het | draagt na | droeg na |
| wij | dragen na | droegen na |
| jullie | dragen na | droegen na |
| zij | dragen na | droegen na |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben nagedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent nagedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| draag na | gebiedende wijs |
| droeg na | verleden tijd |
| er is nagedragen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was nagedragen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd nagedragen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt nagedragen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal nagedragen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal nagedragen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou nagedragen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou nagedragen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had nagedragen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had nagedragen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had nagedragen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden nagedragen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden nagedragen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden nagedragen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt nagedragen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb nagedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben nagedragen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben nagedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben nagedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben nagedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt nagedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft nagedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft nagedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is nagedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is nagedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| na te dragen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| na te zullen dragen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| na zal dragen | bijzin, toekomende tijd |
| na zou dragen | bijzin, voorwaardelijk |
| na zouden dragen | bijzin, voorwaardelijk |
| na zoudt dragen | bijzin, voorwaardelijk |
| na zullen dragen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| na zullen dragen | bijzin, toekomende tijd |
| na zult dragen | bijzin, toekomende tijd |
| nadraag | bijzin, tegenwoordige tijd |
| nadraagt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| nadragend | onvoltooid, deelwoord |
| nadroeg | bijzin, verleden tijd |
| nadroegen | bijzin, verleden tijd |
| nadroegt | bijzin, verleden tijd |
| nagedragen | verleden tijd, deelwoord |
| nagedragen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| nagedragen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| nagedragen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| nagedragen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| nagedragen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| nagedragen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| nagedragen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| nagedragen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| nagedragen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| nagedragen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben nagedragen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen nadragen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart nagedragen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren nagedragen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren nagedragen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren nagedragen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was nagedragen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was nagedragen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was nagedragen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd nagedragen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd nagedragen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd nagedragen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden nagedragen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden nagedragen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden nagedragen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt nagedragen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word nagedragen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden nagedragen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden nagedragen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden nagedragen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt nagedragen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt nagedragen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal nadragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal nadragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal nadragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal nadragen | bijzin, toekomende tijd |
| zal nagedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal nagedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal nagedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal nagedragen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal nagedragen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal nagedragen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal nagedragen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn nagedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn nagedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn nagedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt nagedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou nadragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou nadragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou nadragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou nadragen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou nagedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou nagedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou nagedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou nagedragen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou nagedragen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou nagedragen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou nagedragen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou nagedragen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou nagedragen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) nadragen na zou(dt) dragen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden nadragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden nadragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden nadragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden nadragen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden nagedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden nagedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden nagedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden nagedragen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden nagedragen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden nagedragen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden nagedragen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden nagedragen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden nagedragen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt nadragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt nadragen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt nagedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt nagedragen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt nagedragen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen nadragen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen nadragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen nadragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen nadragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen nadragen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen nagedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen nagedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen nagedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen nagedragen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen nagedragen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen nagedragen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen nagedragen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen nagedragen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen nagedragen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
Herkomst
samenstelling van na bw en dragen ww
Woordfamilie van nadragen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| draag na | gebiedende wijs | nadragen |
| draagt na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | nadragen |
| drage na | woordvorm | nadragen |
| dragen na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | nadragen |
| droeg na | verleden tijd | nadragen |
| droegen na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | nadragen |
| droegt na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | nadragen |
| nadraag | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | nadragen |
| nadraagt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | nadragen |
| nadrage | with-subordinate-clause | nadragen |
| nadragend | onvoltooid deelwoord | nadragen |
| nadragende | woordvorm | nadragen |
| nadroeg | subordinate-clause, verleden tijd | nadragen |
| nadroegen | subordinate-clause, verleden tijd | nadragen |
| nadroegt | subordinate-clause, verleden tijd | nadragen |
| nagedragen | voltooid deelwoord | nadragen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nadragen zijn vastgelegd.