Naar de inhoud

nadragen

voortgaan iemand iets te verwijten

nadragen

werkwoord

Betekenis

  1. voortgaan iemand iets te verwijten

werkwoord

  1. achter iemand aan dragen transitive
  2. doorgaan met iemand iets uit het verleden te verwijten ditransitive

Vervoeging van nadragen

nadragenhele werkwoord — droeg naverleden tijd enkelvoud — droegen naverleden tijd meervoud — nagedragenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik draag na droeg na
jij draagt na droeg na
hij, zij, het draagt na droeg na
wij dragen na droegen na
jullie dragen na droegen na
zij dragen na droegen na
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben nagedragen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent nagedragen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
draag na gebiedende wijs
droeg na verleden tijd
er is nagedragen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was nagedragen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd nagedragen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt nagedragen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal nagedragen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal nagedragen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou nagedragen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou nagedragen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had nagedragen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had nagedragen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had nagedragen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden nagedragen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden nagedragen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden nagedragen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt nagedragen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb nagedragen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben nagedragen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben nagedragen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben nagedragen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben nagedragen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt nagedragen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft nagedragen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft nagedragen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is nagedragen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is nagedragen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
na te dragen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
na te zullen dragen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
na zal dragen bijzin, toekomende tijd
na zou dragen bijzin, voorwaardelijk
na zouden dragen bijzin, voorwaardelijk
na zoudt dragen bijzin, voorwaardelijk
na zullen dragen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
na zullen dragen bijzin, toekomende tijd
na zult dragen bijzin, toekomende tijd
nadraag bijzin, tegenwoordige tijd
nadraagt bijzin, tegenwoordige tijd
nadragend onvoltooid, deelwoord
nadroeg bijzin, verleden tijd
nadroegen bijzin, verleden tijd
nadroegt bijzin, verleden tijd
nagedragen verleden tijd, deelwoord
nagedragen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
nagedragen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
nagedragen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
nagedragen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
nagedragen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
nagedragen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
nagedragen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
nagedragen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
nagedragen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
nagedragen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te hebben nagedragen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen nadragen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart nagedragen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren nagedragen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren nagedragen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren nagedragen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was nagedragen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was nagedragen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was nagedragen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd nagedragen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd nagedragen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd nagedragen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden nagedragen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden nagedragen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden nagedragen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt nagedragen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word nagedragen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden nagedragen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden nagedragen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden nagedragen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt nagedragen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt nagedragen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal nadragen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal nadragen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal nadragen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal nadragen bijzin, toekomende tijd
zal nagedragen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal nagedragen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal nagedragen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal nagedragen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal nagedragen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal nagedragen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal nagedragen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn nagedragen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn nagedragen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn nagedragen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt nagedragen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou nadragen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou nadragen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou nadragen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou nadragen bijzin, voorwaardelijk
zou nagedragen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou nagedragen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou nagedragen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou nagedragen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou nagedragen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou nagedragen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou nagedragen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou nagedragen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou nagedragen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) nadragen na zou(dt) dragen bijzin, voorwaardelijk
zouden nadragen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden nadragen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden nadragen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden nadragen bijzin, voorwaardelijk
zouden nagedragen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden nagedragen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden nagedragen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden nagedragen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden nagedragen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden nagedragen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden nagedragen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden nagedragen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden nagedragen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt nadragen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt nadragen bijzin, voorwaardelijk
zoudt nagedragen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt nagedragen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt nagedragen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen nadragen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen nadragen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen nadragen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen nadragen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen nadragen bijzin, toekomende tijd
zullen nagedragen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen nagedragen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen nagedragen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen nagedragen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen nagedragen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen nagedragen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen nagedragen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen nagedragen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen nagedragen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon

Herkomst

samenstelling van na bw en dragen ww

Woordfamilie van nadragen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
draag na gebiedende wijs nadragen
draagt na aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon nadragen
drage na woordvorm nadragen
dragen na aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon nadragen
droeg na verleden tijd nadragen
droegen na aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon nadragen
droegt na aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon nadragen
nadraag subordinate-clause, tegenwoordige tijd nadragen
nadraagt subordinate-clause, tegenwoordige tijd nadragen
nadrage with-subordinate-clause nadragen
nadragend onvoltooid deelwoord nadragen
nadragende woordvorm nadragen
nadroeg subordinate-clause, verleden tijd nadragen
nadroegen subordinate-clause, verleden tijd nadragen
nadroegt subordinate-clause, verleden tijd nadragen
nagedragen voltooid deelwoord nadragen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nadragen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over nadragen

Wat betekent nadragen?
Nadragen is een werkwoord. Het woord betekent: voortgaan iemand iets te verwijten. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je nadragen?
Je vervoegt nadragen als volgt: het voltooid deelwoord is nagedragen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord nadragen is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. N 1
  2. A 1
  3. D 2
  4. R 2
  5. A 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

nadragen levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 54 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. N 1
  2. A 1
  3. D 2
  4. R 2
  5. A 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 12 zonder bonus
  10. 54 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (G) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

nadragen in het kort

nadragen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van nadragen zijn 90 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort nadragen bij een woordfamilie van 16 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

nadragen: voortgaan iemand iets te verwijten
Deel nadragen — standaardnederlands.nl