nachtbraken
werkwoordBetekenis
- het bijzonder laat maken, de nacht doorfeesten
Vervoeging van nachtbraken
nachtbrakenhele werkwoord — nachtbraakteverleden tijd enkelvoud — nachtbraaktenverleden tijd meervoud — genachtbraaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | nachtbraak | nachtbraakte |
| jij | nachtbraakt | nachtbraakte |
| hij, zij, het | nachtbraakt | nachtbraakte |
| wij | nachtbraken | nachtbraakten |
| jullie | nachtbraken | nachtbraakten |
| zij | nachtbraken | nachtbraakten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| genachtbraakt | verleden tijd, deelwoord |
| genachtbraakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| genachtbraakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had genachtbraakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had genachtbraakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had genachtbraakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden genachtbraakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden genachtbraakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden genachtbraakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt genachtbraakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb genachtbraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genachtbraakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben genachtbraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genachtbraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben genachtbraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt genachtbraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genachtbraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genachtbraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| nachtbraak | gebiedende wijs |
| nachtbraakte | verleden tijd |
| nachtbrake | aanvoegende wijs |
| nachtbrakend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben genachtbraakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te nachtbraken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen nachtbraken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal genachtbraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal genachtbraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal genachtbraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal nachtbraken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal nachtbraken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal nachtbraken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou genachtbraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou genachtbraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou genachtbraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou nachtbraken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou nachtbraken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou nachtbraken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden genachtbraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden genachtbraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden genachtbraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden nachtbraken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden nachtbraken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden nachtbraken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt genachtbraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt nachtbraken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen genachtbraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen genachtbraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen genachtbraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen nachtbraken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen nachtbraken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen nachtbraken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen nachtbraken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult genachtbraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult nachtbraken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘de nacht doorwerken, de nacht met uitgaan doorbrengen’ voor het eerst aangetroffen in 1599
Woordfamilie van nachtbraken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| genachtbraakt | voltooid deelwoord | nachtbraken |
| nachtbraak | gebiedende wijs | nachtbraken |
| nachtbraakt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | nachtbraken |
| nachtbraakte | verleden tijd | nachtbraken |
| nachtbraakten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | nachtbraken |
| nachtbrake | aanvoegende wijs | nachtbraken |
| nachtbrakend | onvoltooid deelwoord | nachtbraken |
| nachtbrakende | woordvorm | nachtbraken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nachtbraken zijn vastgelegd.