Naar de inhoud

nabijkomen

iets ~: dicht in de buurt komen van iets

nabijkomen

werkwoord

Betekenis

  1. iets ~: dicht in de buurt komen van iets

Vervoeging van nabijkomen

nabijkomenhele werkwoord — kwam nabijverleden tijd enkelvoud — kwamen nabijverleden tijd meervoud — nabijgekomenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik kom nabij kwam nabij
jij komt nabij kwaamt nabij
hij, zij, het komt nabij kwam nabij
wij komen nabij kwamen nabij
jullie komen nabij kwamen nabij
zij komen nabij kwamen nabij
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben nabijgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent nabijgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is nabijgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is nabijgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kom nabij gebiedende wijs
kwam nabij verleden tijd
nabij te komen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
nabij te zullen komen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
nabij zal komen bijzin, toekomende tijd
nabij zou komen bijzin, voorwaardelijk
nabij zouden komen bijzin, voorwaardelijk
nabij zoudt komen bijzin, voorwaardelijk
nabij zullen komen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
nabij zullen komen bijzin, toekomende tijd
nabij zult komen bijzin, toekomende tijd
nabijgekomen verleden tijd, deelwoord
nabijgekomen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
nabijgekomen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
nabijkom bijzin, tegenwoordige tijd
nabijkomend onvoltooid, deelwoord
nabijkomt bijzin, tegenwoordige tijd
nabijkwaamt bijzin, verleden tijd
nabijkwam bijzin, verleden tijd
nabijkwamen bijzin, verleden tijd
te zijn nabijgekomen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen nabijkomen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart nabijgekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren nabijgekomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren nabijgekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren nabijgekomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was nabijgekomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was nabijgekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was nabijgekomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal nabijgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal nabijgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal nabijgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal nabijkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal nabijkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal nabijkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal nabijkomen bijzin, toekomende tijd
zijn nabijgekomen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn nabijgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn nabijgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn nabijgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt nabijgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou nabijgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou nabijgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou nabijgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou nabijkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou nabijkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou nabijkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou nabijkomen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) nabijkomen nabij zou(dt) komen bijzin, voorwaardelijk
zouden nabijgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden nabijgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden nabijgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden nabijkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden nabijkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden nabijkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden nabijkomen bijzin, voorwaardelijk
zoudt nabijgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt nabijkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt nabijkomen bijzin, voorwaardelijk
zullen nabijgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen nabijgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen nabijgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen nabijkomen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen nabijkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen nabijkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen nabijkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen nabijkomen bijzin, toekomende tijd
zult nabijgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult nabijkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult nabijkomen bijzin, toekomende tijd
zult/zal nabijkomen nabij zult/zal komen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van nabij bw en komen ww

Woordfamilie van nabijkomen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
kom nabij gebiedende wijs nabijkomen
kome nabij woordvorm nabijkomen
komen nabij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon nabijkomen
komt nabij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon nabijkomen
kwam nabij verleden tijd nabijkomen
kwamen nabij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon nabijkomen
nabijgekomen voltooid deelwoord nabijkomen
nabijkom subordinate-clause, tegenwoordige tijd nabijkomen
nabijkome with-subordinate-clause nabijkomen
nabijkomend onvoltooid deelwoord nabijkomen
nabijkomende woordvorm nabijkomen
nabijkomt subordinate-clause, tegenwoordige tijd nabijkomen
nabijkwam subordinate-clause, verleden tijd nabijkomen
nabijkwamen subordinate-clause, verleden tijd nabijkomen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nabijkomen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over nabijkomen

Wat is de betekenis van nabijkomen?
Nabijkomen is een werkwoord. De betekenis is: iets ~: dicht in de buurt komen van iets.
Hoe vervoeg ik nabijkomen?
Zo vervoeg je nabijkomen zo: het voltooid deelwoord is nabijgekomen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord nabijkomen is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. N 1
  2. A 1
  3. B 3
  4. I 1
  5. J 4
  6. K 3
  7. O 1
  8. M 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

nabijkomen levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. N 1
  2. A 1
  3. B 4
  4. I 2
  5. J 4
  6. K 3
  7. O 1
  8. M 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 zonder bonus
  12. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

nabijkomen in het kort

nabijkomen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van nabijkomen staan er 48 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort nabijkomen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

nabijkomen: iets ~: dicht in de buurt komen van iets
Deel nabijkomen — standaardnederlands.nl