naakt
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord, werkwoord /naːkt/Betekenis
- zonder beharing of andere fysieke bescherming van de huid, ontkleed
- puur, onverbloemd, zonder franje
- afbeelding van een naakte persoon of groep, inz. als kunstwerk of porno
- naaktheid als begrip
Hoe spreek je naakt uit?
/nakt/
Naakt bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| n | nek |
| a | maan |
| k | kat |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| naakte | verbogen, stellende trap |
| naakter | onverbogen, vergrotende trap |
| naaktere | verbogen, vergrotende trap |
| naakters | partitief, vergrotende trap |
| naakts | partitief, stellende trap |
| naaktst | onverbogen, overtreffende trap |
| naaktste | verbogen, overtreffende trap |
Woordvorm
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van naken
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van naken
- gebiedende wijs meervoud van naken
Vervoeging van naakt
naakthele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘bloot’ voor het eerst aangetroffen in 1236
Woordfamilie van naakt
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| naakter | vergrotende trap | naakt |
| naaktere | verbogen vergrotende trap | naakt |
| naakters | partitieve vergrotende trap | naakt |
| naaktje | woordvorm | naakt |
| naaktjes | meervoud | naakt |
| naakts | partitive, positive | naakt |
| naaktst | uninflected, superlative | naakt |
| naaktste | inflected, superlative | naakt |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van naakt zijn vastgelegd.