naad
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een lijn waarlangs twee losse stukken materiaal aan elkaar genaaid of gelast zijn
- verbinding waar twee stukken materiaal aan elkaar zijn gehecht
zelfstandig naamwoord — masculine
- verbinding [1] waar twee stukken materiaal aan elkaar zijn gehecht (bijv. bij het lassen)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| naadje | verkleinwoord, enkelvoud |
| naadjes | verkleinwoord, meervoud |
| naden | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘voeg’ voor het eerst aangetroffen in 1277
Woordfamilie van naad
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| naadje | verkleinwoord | naad |
| naadjes | verkleinwoord meervoud | naad |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van naad zijn vastgelegd.