moorden
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈmordə(n)Betekenis
- het plegen van meestal meerdere moorden
Hoe spreek je moorden uit?
/ˈmordən/
Moorden bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| o | boot |
| r | rood |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van moorden
moordenhele werkwoord — moorddeverleden tijd enkelvoud — moorddenverleden tijd meervoud — gemoordvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | moord | moordde |
| jij | moordt | moordde |
| hij, zij, het | moordt | moordde |
| wij | moorden | moordden |
| jullie | moorden | moordden |
| zij | moorden | moordden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gemoord | verleden tijd, deelwoord |
| gemoord te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemoord zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemoord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemoord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemoord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemoord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemoord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemoord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemoord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemoord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemoord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| moord | gebiedende wijs |
| moordde | verleden tijd |
| moorde | aanvoegende wijs |
| moordend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemoord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te moorden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen moorden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gemoord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemoord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemoord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal moorden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal moorden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal moorden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gemoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou moorden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou moorden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou moorden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden moorden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden moorden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden moorden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt moorden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemoord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemoord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemoord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen moorden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen moorden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen moorden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen moorden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemoord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult moorden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord moord
Herkomst
afgeleid van moord met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van moorden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemoord | voltooid deelwoord | moorden |
| moordde | verleden tijd | moorden |
| moordden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | moorden |
| moorde | aanvoegende wijs | moorden |
| moordt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | moorden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van moorden zijn vastgelegd.