Naar de inhoud

mooizitten

(van een dier) op de achterpoten zitten met opgericht lijf (met de bedoeling een beloning te krijgen)

mooizitten

werkwoord

Betekenis

  1. (van een dier) op de achterpoten zitten met opgericht lijf (met de bedoeling een beloning te krijgen)

werkwoord

  1. op de achterpoten zitten met opgericht lijf (met de bedoeling een beloning te krijgen) intransitive

Vervoeging van mooizitten

mooizittenhele werkwoord — zat mooiverleden tijd enkelvoud — zaten mooiverleden tijd meervoud — mooigezetenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zit mooi zat mooi
jij zit mooi zat mooi
hij, zij, het zit mooi zat mooi
wij zitten mooi zaten mooi
jullie zitten mooi zaten mooi
zij zitten mooi zaten mooi
Alle 73 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had mooigezeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had mooigezeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had mooigezeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden mooigezeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden mooigezeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden mooigezeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt mooigezeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb mooigezeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben mooigezeten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben mooigezeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben mooigezeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben mooigezeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt mooigezeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft mooigezeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft mooigezeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
mooi te zitten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
mooi te zullen zitten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
mooi zal zitten bijzin, toekomende tijd
mooi zou zitten bijzin, voorwaardelijk
mooi zouden zitten bijzin, voorwaardelijk
mooi zoudt zitten bijzin, voorwaardelijk
mooi zullen zitten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
mooi zullen zitten bijzin, toekomende tijd
mooi zult zitten bijzin, toekomende tijd
mooigezeten verleden tijd, deelwoord
mooigezeten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
mooigezeten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
mooizat bijzin, verleden tijd
mooizaten bijzin, verleden tijd
mooizit bijzin, tegenwoordige tijd
mooizittend onvoltooid, deelwoord
te hebben mooigezeten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen mooizitten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal mooigezeten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal mooigezeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal mooigezeten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal mooizitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal mooizitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal mooizitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal mooizitten bijzin, toekomende tijd
zat mooi verleden tijd
zit mooi gebiedende wijs
zou mooigezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou mooigezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou mooigezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou mooizitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou mooizitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou mooizitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou mooizitten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) mooizitten mooi zou(dt) zitten bijzin, voorwaardelijk
zouden mooigezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden mooigezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden mooigezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden mooizitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden mooizitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden mooizitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden mooizitten bijzin, voorwaardelijk
zoudt mooigezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt mooizitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt mooizitten bijzin, voorwaardelijk
zullen mooigezeten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen mooigezeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen mooigezeten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen mooizitten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen mooizitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen mooizitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen mooizitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen mooizitten bijzin, toekomende tijd
zult mooigezeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult mooizitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult mooizitten bijzin, toekomende tijd
zult/zal mooizitten mooi zult/zal zitten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van mooi en zitten

Woordfamilie van mooizitten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
mooigezeten voltooid deelwoord mooizitten
mooizat subordinate-clause, verleden tijd mooizitten
mooizaten subordinate-clause, verleden tijd mooizitten
mooizit subordinate-clause, tegenwoordige tijd mooizitten
mooizitte with-subordinate-clause mooizitten
mooizittend onvoltooid deelwoord mooizitten
mooizittende woordvorm mooizitten
zat mooi verleden tijd mooizitten
zaten mooi aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon mooizitten
zit mooi gebiedende wijs mooizitten
zitte mooi woordvorm mooizitten
zitten mooi aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon mooizitten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mooizitten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over mooizitten

Wat betekent mooizitten?
Mooizitten is een werkwoord. Het woord betekent: (van een dier) op de achterpoten zitten met opgericht lijf (met de bedoeling een beloning te krijgen). Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je mooizitten?
Je vervoegt mooizitten als volgt: het voltooid deelwoord is mooigezeten. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord mooizitten is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. M 3
  2. O 1
  3. O 1
  4. I 1
  5. Z 4
  6. I 1
  7. T 2
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

mooizitten levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. M 3
  2. O 1
  3. O 1
  4. I 2
  5. Z 5
  6. I 2
  7. T 2
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 zonder bonus
  12. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

mooizitten in het kort

mooizitten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van mooizitten zijn 43 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort mooizitten bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

mooizitten: (van een dier) op de achterpoten zitten met opgericht lijf (met de bedoeling een beloning te krijgen)
Deel mooizitten — standaardnederlands.nl