moduleren
werkwoordBetekenis
- overgaan van de ene toonsoort op de andere
- het omzetten van een analoog signaal naar een digitaal b.v. pulscodemodulatie, van analoog naar digitaal converteren
- van een analoog signaal op een draaggolf met veel hogere frequentie teneinde het resultaat meer geschikt te maken voor de transmissieweg
werkwoord
- het moduleren van een analoog signaal op een draaggolf met veel hogere frequentie teneinde het resultaat meer geschikt te maken voor de transmissieweg transitive
Vervoeging van moduleren
modulerenhele werkwoord — moduleerdeverleden tijd enkelvoud — moduleerdenverleden tijd meervoud — gemoduleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | moduleer | moduleerde |
| jij | moduleert | moduleerde |
| hij, zij, het | moduleert | moduleerde |
| wij | moduleren | moduleerden |
| jullie | moduleren | moduleerden |
| zij | moduleren | moduleerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gemoduleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gemoduleerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gemoduleerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gemoduleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gemoduleerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gemoduleerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gemoduleerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gemoduleerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gemoduleerd | verleden tijd, deelwoord |
| gemoduleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemoduleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemoduleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemoduleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemoduleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemoduleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemoduleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemoduleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemoduleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemoduleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemoduleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemoduleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemoduleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemoduleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemoduleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemoduleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemoduleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| moduleer | gebiedende wijs |
| moduleerde | verleden tijd |
| modulere | aanvoegende wijs |
| modulerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemoduleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te moduleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen moduleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gemoduleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemoduleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemoduleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal moduleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal moduleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal moduleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gemoduleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemoduleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemoduleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou moduleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou moduleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou moduleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemoduleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemoduleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemoduleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden moduleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden moduleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden moduleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemoduleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt moduleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemoduleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemoduleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemoduleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen moduleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen moduleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen moduleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen moduleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemoduleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult moduleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘voordragen’ voor het eerst aangetroffen in 1669
Woordfamilie van moduleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemoduleerd | voltooid deelwoord | moduleren |
| gemoduleerde | woordvorm | moduleren |
| moduleer | gebiedende wijs | moduleren |
| moduleerde | verleden tijd | moduleren |
| moduleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | moduleren |
| moduleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | moduleren |
| modulere | aanvoegende wijs | moduleren |
| modulerend | onvoltooid deelwoord | moduleren |
| modulerende | woordvorm | moduleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van moduleren zijn vastgelegd.