misschieten
werkwoordBetekenis
- schieten zonder het doel te treffen
Vervoeging van misschieten
misschietenhele werkwoord — schoot misverleden tijd enkelvoud — schoten misverleden tijd meervoud — misgeschotenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schiet mis | schoot mis |
| jij | schiet mis | schoot mis |
| hij, zij, het | schiet mis | schoot mis |
| wij | schieten mis | schoten mis |
| jullie | schieten mis | schoten mis |
| zij | schieten mis | schoten mis |
Alle 73 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had misgeschoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had misgeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had misgeschoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden misgeschoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden misgeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden misgeschoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt misgeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb misgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben misgeschoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben misgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben misgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben misgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt misgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft misgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft misgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mis te schieten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| mis te zullen schieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| mis zal schieten | bijzin, toekomende tijd |
| mis zou schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| mis zouden schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| mis zoudt schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| mis zullen schieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| mis zullen schieten | bijzin, toekomende tijd |
| mis zult schieten | bijzin, toekomende tijd |
| misgeschoten | verleden tijd, deelwoord |
| misgeschoten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| misgeschoten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| misschiet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| misschietend | onvoltooid, deelwoord |
| misschoot | bijzin, verleden tijd |
| misschoten | bijzin, verleden tijd |
| schiet mis | gebiedende wijs |
| schoot mis | verleden tijd |
| te hebben misgeschoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen misschieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal misgeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal misgeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal misgeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal misschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal misschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal misschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal misschieten | bijzin, toekomende tijd |
| zou misgeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou misgeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou misgeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou misschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou misschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou misschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou misschieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) misschieten mis zou(dt) schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden misgeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden misgeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden misgeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden misschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden misschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden misschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden misschieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt misgeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt misschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt misschieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen misgeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen misgeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen misgeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen misschieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen misschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen misschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen misschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen misschieten | bijzin, toekomende tijd |
| zult misgeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult misschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult misschieten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal misschieten mis zult/zal schieten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van mis en schieten
Woordfamilie van misschieten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| misgeschoten | voltooid deelwoord | misschieten |
| misschiet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | misschieten |
| misschiete | with-subordinate-clause | misschieten |
| misschietend | onvoltooid deelwoord | misschieten |
| misschietende | woordvorm | misschieten |
| misschoot | subordinate-clause, verleden tijd | misschieten |
| misschoten | subordinate-clause, verleden tijd | misschieten |
| schiet mis | gebiedende wijs | misschieten |
| schiete mis | woordvorm | misschieten |
| schieten mis | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | misschieten |
| schoot mis | verleden tijd | misschieten |
| schoten mis | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | misschieten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van misschieten zijn vastgelegd.