Naar de inhoud

misschieten

schieten zonder het doel te treffen

misschieten

werkwoord

Betekenis

  1. schieten zonder het doel te treffen

Vervoeging van misschieten

misschietenhele werkwoord — schoot misverleden tijd enkelvoud — schoten misverleden tijd meervoud — misgeschotenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schiet mis schoot mis
jij schiet mis schoot mis
hij, zij, het schiet mis schoot mis
wij schieten mis schoten mis
jullie schieten mis schoten mis
zij schieten mis schoten mis
Alle 73 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had misgeschoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had misgeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had misgeschoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden misgeschoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden misgeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden misgeschoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt misgeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb misgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben misgeschoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben misgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben misgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben misgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt misgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft misgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft misgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
mis te schieten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
mis te zullen schieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
mis zal schieten bijzin, toekomende tijd
mis zou schieten bijzin, voorwaardelijk
mis zouden schieten bijzin, voorwaardelijk
mis zoudt schieten bijzin, voorwaardelijk
mis zullen schieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
mis zullen schieten bijzin, toekomende tijd
mis zult schieten bijzin, toekomende tijd
misgeschoten verleden tijd, deelwoord
misgeschoten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
misgeschoten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
misschiet bijzin, tegenwoordige tijd
misschietend onvoltooid, deelwoord
misschoot bijzin, verleden tijd
misschoten bijzin, verleden tijd
schiet mis gebiedende wijs
schoot mis verleden tijd
te hebben misgeschoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen misschieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal misgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal misgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal misgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal misschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal misschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal misschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal misschieten bijzin, toekomende tijd
zou misgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou misgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou misgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou misschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou misschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou misschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou misschieten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) misschieten mis zou(dt) schieten bijzin, voorwaardelijk
zouden misgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden misgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden misgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden misschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden misschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden misschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden misschieten bijzin, voorwaardelijk
zoudt misgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt misschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt misschieten bijzin, voorwaardelijk
zullen misgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen misgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen misgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen misschieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen misschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen misschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen misschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen misschieten bijzin, toekomende tijd
zult misgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult misschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult misschieten bijzin, toekomende tijd
zult/zal misschieten mis zult/zal schieten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van mis en schieten

Woordfamilie van misschieten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
misgeschoten voltooid deelwoord misschieten
misschiet subordinate-clause, tegenwoordige tijd misschieten
misschiete with-subordinate-clause misschieten
misschietend onvoltooid deelwoord misschieten
misschietende woordvorm misschieten
misschoot subordinate-clause, verleden tijd misschieten
misschoten subordinate-clause, verleden tijd misschieten
schiet mis gebiedende wijs misschieten
schiete mis woordvorm misschieten
schieten mis aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon misschieten
schoot mis verleden tijd misschieten
schoten mis aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon misschieten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van misschieten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over misschieten

Wat betekent misschieten?
Misschieten is een werkwoord. Het woord betekent: schieten zonder het doel te treffen.
Hoe vervoeg je misschieten?
Je vervoegt misschieten als volgt: het voltooid deelwoord is misgeschoten. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord misschieten is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. M 3
  2. I 1
  3. S 2
  4. S 2
  5. C 5
  6. H 4
  7. I 1
  8. E 1
  9. T 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

misschieten levert met Wordfeud minimaal 25 en maximaal 105 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. M 3
  2. I 2
  3. S 2
  4. S 2
  5. C 5
  6. H 4
  7. I 2
  8. E 1
  9. T 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 25 zonder bonus
  13. 105 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

misschieten in het kort

misschieten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van misschieten zijn 43 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort misschieten bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

misschieten: schieten zonder het doel te treffen
Deel misschieten — standaardnederlands.nl