mispeuteren
werkwoordBetekenis
- misdoen, (iets slechts of verkeerds) doen
Vervoeging van mispeuteren
mispeuterenhele werkwoord — mispeuterdeverleden tijd enkelvoud — mispeuterdenverleden tijd meervoud — mispeuterdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | mispeuter | mispeuterde |
| jij | mispeutert | mispeuterde |
| hij, zij, het | mispeutert | mispeuterde |
| wij | mispeuteren | mispeuterden |
| jullie | mispeuteren | mispeuterden |
| zij | mispeuteren | mispeuterden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben mispeuterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent mispeuterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is mispeuterd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was mispeuterd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd mispeuterd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt mispeuterd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal mispeuterd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal mispeuterd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou mispeuterd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou mispeuterd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had mispeuterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had mispeuterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had mispeuterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden mispeuterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden mispeuterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden mispeuterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt mispeuterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb mispeuterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben mispeuterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben mispeuterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben mispeuterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben mispeuterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt mispeuterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft mispeuterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft mispeuterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is mispeuterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is mispeuterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mispeuter | gebiedende wijs |
| mispeuterd | verleden tijd, deelwoord |
| mispeuterd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| mispeuterd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| mispeuterd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| mispeuterd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| mispeuterd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| mispeuterd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| mispeuterd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| mispeuterd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| mispeuterd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| mispeuterd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| mispeuterde | verleden tijd |
| mispeutere | aanvoegende wijs |
| mispeuterend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben mispeuterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te mispeuteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen mispeuteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart mispeuterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren mispeuterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren mispeuterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren mispeuterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was mispeuterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was mispeuterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was mispeuterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd mispeuterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd mispeuterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd mispeuterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden mispeuterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden mispeuterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden mispeuterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt mispeuterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word mispeuterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden mispeuterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden mispeuterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden mispeuterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt mispeuterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt mispeuterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal mispeuterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal mispeuterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal mispeuterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal mispeuterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal mispeuterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal mispeuterd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal mispeuterd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal mispeuteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal mispeuteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal mispeuteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn mispeuterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn mispeuterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn mispeuterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt mispeuterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou mispeuterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou mispeuterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou mispeuterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou mispeuterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou mispeuterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou mispeuterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou mispeuterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou mispeuterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou mispeuterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou mispeuteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou mispeuteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou mispeuteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden mispeuterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden mispeuterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden mispeuterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden mispeuterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden mispeuterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden mispeuterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden mispeuterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden mispeuterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden mispeuterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden mispeuteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden mispeuteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden mispeuteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt mispeuterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt mispeuterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt mispeuterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt mispeuteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen mispeuterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen mispeuterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen mispeuterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen mispeuterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen mispeuterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen mispeuterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen mispeuterd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen mispeuterd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen mispeuterd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen mispeuteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen mispeuteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen mispeuteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen mispeuteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult mispeuterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult mispeuterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult mispeuterd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult mispeuteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van mis en peuteren
Woordfamilie van mispeuteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| mispeuter | gebiedende wijs | mispeuteren |
| mispeuterd | voltooid deelwoord | mispeuteren |
| mispeuterde | verleden tijd | mispeuteren |
| mispeuterden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | mispeuteren |
| mispeutere | aanvoegende wijs | mispeuteren |
| mispeuterend | onvoltooid deelwoord | mispeuteren |
| mispeuterende | woordvorm | mispeuteren |
| mispeutert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | mispeuteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mispeuteren zijn vastgelegd.