mijter
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een hoofddeksel dat door kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders gedragen wordt op plechtige gelegenheden
- het hoofddeksel van Sinterklaas
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| mijters | meervoud |
| mijtertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| mijtertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mijteren
- gebiedende wijs van mijteren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mijteren
Vervoeging van mijter
mijterhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘hoofddeksel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van mijter
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| mijters | meervoud | mijter |
| mijtertje | verkleinwoord | mijter |
| mijtertjes | verkleinwoord meervoud | mijter |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mijter zijn vastgelegd.