mijden
werkwoordBetekenis
- ontwijken, trachten niet in aanraking te komen met iets of iemand
Vervoeging van mijden
mijdenhele werkwoord — meedverleden tijd enkelvoud — medenverleden tijd meervoud — gemedenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | mijd | meed |
| jij | mijdt | meed |
| hij, zij, het | mijdt | meed |
| wij | mijden | meden |
| jullie | mijden | meden |
| zij | mijden | meden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gemeden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gemeden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gemeden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gemeden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gemeden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gemeden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gemeden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gemeden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gemeden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gemeden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gemeden | verleden tijd, deelwoord |
| gemeden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gemeden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gemeden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemeden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemeden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemeden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gemeden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gemeden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gemeden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gemeden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemeden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemeden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemeden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemeden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemeden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemeden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemeden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemeden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemeden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemeden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemeden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemeden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemeden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemeden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemeden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gemeden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gemeden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| meed | verleden tijd |
| mijd | gebiedende wijs |
| mijde | aanvoegende wijs |
| mijdend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemeden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te mijden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen mijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gemeden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gemeden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gemeden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gemeden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gemeden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gemeden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gemeden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gemeden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gemeden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gemeden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gemeden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gemeden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gemeden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gemeden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gemeden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gemeden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gemeden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gemeden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gemeden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gemeden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gemeden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemeden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemeden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gemeden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemeden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gemeden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemeden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal mijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal mijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal mijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gemeden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gemeden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gemeden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gemeden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gemeden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemeden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemeden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gemeden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemeden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gemeden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemeden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemeden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemeden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou mijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou mijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou mijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemeden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemeden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemeden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gemeden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gemeden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gemeden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gemeden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemeden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemeden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden mijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden mijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden mijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemeden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gemeden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gemeden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt mijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemeden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemeden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemeden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gemeden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gemeden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gemeden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gemeden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemeden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemeden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen mijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen mijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen mijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen mijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemeden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gemeden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gemeden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult mijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘ontwijken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265
Woordfamilie van mijden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemeden | voltooid deelwoord | mijden |
| meden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | mijden |
| meed | verleden tijd | mijden |
| mijd | gebiedende wijs | mijden |
| mijde | aanvoegende wijs | mijden |
| mijdend | onvoltooid deelwoord | mijden |
| mijdende | woordvorm | mijden |
| mijdt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | mijden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mijden zijn vastgelegd.