metgezel
zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand die meegaat op een reis of activiteit
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| metgezellen | meervoud |
| metgezelletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| metgezelletjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘reisgenoot’ voor het eerst aangetroffen in 1477
Woordfamilie van metgezel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| metgezellen | meervoud | metgezel |
| metgezelletje | verkleinwoord | metgezel |
| metgezelletjes | verkleinwoord meervoud | metgezel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van metgezel zijn vastgelegd.