kameraad
zelfstandig naamwoordBetekenis
- vriend; makker; maat; (in overdrachtelijke zin): in de oorlog en nadien in het communisme ook gebruikt als aanduiding voor gelijkgestemde, i.c. lid van de NSB, vaak afgekort tot Kam., of de (communistische) Partij. Tegenwoordig nog wel sarcastisch gebruikt ter aanduiding van aanhanger van een totalitair regime.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kameraadje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kameraadjes | verkleinwoord, meervoud |
| kameraads | meervoud |
| kameraden | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘makker’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1596
Woordfamilie van kameraad
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kameraadje | verkleinwoord | kameraad |
| kameraadjes | verkleinwoord meervoud | kameraad |
| kameraads | meervoud | kameraad |
| kameraden | meervoud | kameraad |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kameraad zijn vastgelegd.