menstrueren
werkwoordBetekenis
- het (maandelijks) ongesteld zijn van vrouwen
werkwoord
- ongesteld zijn van vrouwen unergative
Vervoeging van menstrueren
menstruerenhele werkwoord — menstrueerdeverleden tijd enkelvoud — menstrueerdenverleden tijd meervoud — gemenstrueerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | menstrueer | menstrueerde |
| jij | menstrueert | menstrueerde |
| hij, zij, het | menstrueert | menstrueerde |
| wij | menstrueren | menstrueerden |
| jullie | menstrueren | menstrueerden |
| zij | menstrueren | menstrueerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gemenstrueerd | verleden tijd, deelwoord |
| gemenstrueerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemenstrueerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemenstrueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemenstrueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemenstrueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemenstrueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemenstrueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemenstrueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemenstrueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemenstrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemenstrueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemenstrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemenstrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemenstrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemenstrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemenstrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemenstrueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| menstrueer | gebiedende wijs |
| menstrueerde | verleden tijd |
| menstruere | aanvoegende wijs |
| menstruerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemenstrueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te menstrueren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen menstrueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gemenstrueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemenstrueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemenstrueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal menstrueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal menstrueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal menstrueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gemenstrueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemenstrueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemenstrueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou menstrueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou menstrueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou menstrueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemenstrueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemenstrueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemenstrueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden menstrueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden menstrueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden menstrueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemenstrueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt menstrueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemenstrueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemenstrueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemenstrueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen menstrueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen menstrueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen menstrueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen menstrueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemenstrueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult menstrueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘menstruatie hebben’ voor het eerst aangetroffen in 1824
Woordfamilie van menstrueren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemenstrueerd | voltooid deelwoord | menstrueren |
| menstrueer | gebiedende wijs | menstrueren |
| menstrueerde | verleden tijd | menstrueren |
| menstrueerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | menstrueren |
| menstrueert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | menstrueren |
| menstruere | aanvoegende wijs | menstrueren |
| menstruerend | onvoltooid deelwoord | menstrueren |
| menstruerende | woordvorm | menstrueren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van menstrueren zijn vastgelegd.