Naar de inhoud

menstrueren

het (maandelijks) ongesteld zijn van vrouwen

menstrueren

werkwoord

Betekenis

  1. het (maandelijks) ongesteld zijn van vrouwen

werkwoord

  1. ongesteld zijn van vrouwen unergative

Vervoeging van menstrueren

menstruerenhele werkwoord — menstrueerdeverleden tijd enkelvoud — menstrueerdenverleden tijd meervoud — gemenstrueerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik menstrueer menstrueerde
jij menstrueert menstrueerde
hij, zij, het menstrueert menstrueerde
wij menstrueren menstrueerden
jullie menstrueren menstrueerden
zij menstrueren menstrueerden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gemenstrueerd verleden tijd, deelwoord
gemenstrueerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gemenstrueerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gemenstrueerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gemenstrueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gemenstrueerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gemenstrueerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gemenstrueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gemenstrueerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gemenstrueerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gemenstrueerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gemenstrueerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gemenstrueerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gemenstrueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gemenstrueerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gemenstrueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gemenstrueerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gemenstrueerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
menstrueer gebiedende wijs
menstrueerde verleden tijd
menstruere aanvoegende wijs
menstruerend onvoltooid, deelwoord
te hebben gemenstrueerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te menstrueren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen menstrueren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gemenstrueerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gemenstrueerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gemenstrueerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal menstrueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal menstrueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal menstrueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gemenstrueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gemenstrueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gemenstrueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou menstrueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou menstrueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou menstrueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gemenstrueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gemenstrueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gemenstrueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden menstrueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden menstrueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden menstrueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gemenstrueerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt menstrueren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gemenstrueerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gemenstrueerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gemenstrueerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen menstrueren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen menstrueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen menstrueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen menstrueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gemenstrueerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult menstrueren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘menstruatie hebben’ voor het eerst aangetroffen in 1824

Woordfamilie van menstrueren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gemenstrueerd voltooid deelwoord menstrueren
menstrueer gebiedende wijs menstrueren
menstrueerde verleden tijd menstrueren
menstrueerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon menstrueren
menstrueert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon menstrueren
menstruere aanvoegende wijs menstrueren
menstruerend onvoltooid deelwoord menstrueren
menstruerende woordvorm menstrueren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van menstrueren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over menstrueren

Wat is de betekenis van menstrueren?
Menstrueren is een werkwoord. De betekenis is: het (maandelijks) ongesteld zijn van vrouwen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik menstrueren?
Zo vervoeg je menstrueren zo: de tegenwoordige tijd is menstrueer, de verleden tijd is menstrueerde en het voltooid deelwoord is gemenstrueerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord menstrueren is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. M 3
  2. E 1
  3. N 1
  4. S 2
  5. T 2
  6. R 2
  7. U 4
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

menstrueren levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. M 3
  2. E 1
  3. N 1
  4. S 2
  5. T 2
  6. R 2
  7. U 2
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 18 zonder bonus
  13. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

menstrueren in het kort

menstrueren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van menstrueren staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort menstrueren bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

menstrueren: het (maandelijks) ongesteld zijn van vrouwen
Deel menstrueren — standaardnederlands.nl