Naar de inhoud

meevliegen

op een vlucht vergezellen

meevliegen

werkwoord

Betekenis

  1. op een vlucht vergezellen
  2. in een vlucht meereizen
  3. tweede betekenisomschrijving
  4. enz.

Vervoeging van meevliegen

meevliegenhele werkwoord — vloog meeverleden tijd enkelvoud — vlogen meeverleden tijd meervoud — meegevlogenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vlieg mee vloog mee
jij vliegt mee vloog mee
hij, zij, het vliegt mee vloog mee
wij vliegen mee vlogen mee
jullie vliegen mee vlogen mee
zij vliegen mee vlogen mee
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben meegevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent meegevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is meegevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is meegevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
mee te vliegen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
mee te zullen vliegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
mee zal vliegen bijzin, toekomende tijd
mee zou vliegen bijzin, voorwaardelijk
mee zouden vliegen bijzin, voorwaardelijk
mee zoudt vliegen bijzin, voorwaardelijk
mee zullen vliegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
mee zullen vliegen bijzin, toekomende tijd
mee zult vliegen bijzin, toekomende tijd
meegevlogen verleden tijd, deelwoord
meegevlogen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
meegevlogen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
meevlieg bijzin, tegenwoordige tijd
meevliegend onvoltooid, deelwoord
meevliegt bijzin, tegenwoordige tijd
meevlogen bijzin, verleden tijd
meevloog bijzin, verleden tijd
meevloogt bijzin, verleden tijd
te zijn meegevlogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen meevliegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vlieg mee gebiedende wijs
vloog mee verleden tijd
waart meegevlogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren meegevlogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren meegevlogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren meegevlogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was meegevlogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was meegevlogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was meegevlogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal meegevlogen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal meegevlogen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal meegevlogen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal meevliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal meevliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal meevliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal meevliegen bijzin, toekomende tijd
zijn meegevlogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn meegevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn meegevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn meegevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt meegevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou meegevlogen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou meegevlogen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou meegevlogen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou meevliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou meevliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou meevliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou meevliegen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) meevliegen mee zou(dt) vliegen bijzin, voorwaardelijk
zouden meegevlogen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden meegevlogen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden meegevlogen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden meevliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden meevliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden meevliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden meevliegen bijzin, voorwaardelijk
zoudt meegevlogen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt meevliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt meevliegen bijzin, voorwaardelijk
zullen meegevlogen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen meegevlogen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen meegevlogen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen meevliegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen meevliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen meevliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen meevliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen meevliegen bijzin, toekomende tijd
zult meegevlogen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult meevliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult meevliegen bijzin, toekomende tijd
zult/zal meevliegen mee zult/zal vliegen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van mee bw en vliegen ww

Woordfamilie van meevliegen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
meegevlogen voltooid deelwoord meevliegen
meevlieg subordinate-clause, tegenwoordige tijd meevliegen
meevliege with-subordinate-clause meevliegen
meevliegend onvoltooid deelwoord meevliegen
meevliegende woordvorm meevliegen
meevliegt subordinate-clause, tegenwoordige tijd meevliegen
meevlogen subordinate-clause, verleden tijd meevliegen
meevloog subordinate-clause, verleden tijd meevliegen
vlieg mee gebiedende wijs meevliegen
vliege mee woordvorm meevliegen
vliegen mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon meevliegen
vliegt mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon meevliegen
vlogen mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon meevliegen
vloog mee verleden tijd meevliegen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meevliegen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over meevliegen

Wat is de betekenis van meevliegen?
Meevliegen is een werkwoord. De betekenis is: op een vlucht vergezellen. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik meevliegen?
Zo vervoeg je meevliegen zo: het voltooid deelwoord is meegevlogen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord meevliegen is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. V 4
  5. L 3
  6. I 1
  7. E 1
  8. G 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

meevliegen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. V 4
  5. L 3
  6. I 2
  7. E 1
  8. G 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 zonder bonus
  12. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

meevliegen in het kort

meevliegen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van meevliegen staan er 48 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort meevliegen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

meevliegen: op een vlucht vergezellen
Deel meevliegen — standaardnederlands.nl