meevaren
werkwoord /'mevarə(n)/Betekenis
- anderen vergezellen op een boottocht
- tweede betekenisomschrijving.
- enz.
Hoe spreek je meevaren uit?
/ˈmevarən/
Meevaren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| e | veel |
| v | vis |
| a | maan |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van meevaren
meevarenhele werkwoord — voer meeverleden tijd enkelvoud — voeren meeverleden tijd meervoud — meegevarenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vaar mee | voer mee |
| jij | vaart mee | voer mee |
| hij, zij, het | vaart mee | voer mee |
| wij | varen mee | voeren mee |
| jullie | varen mee | voeren mee |
| zij | varen mee | voeren mee |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had meegevaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had meegevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had meegevaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden meegevaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden meegevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden meegevaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt meegevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb meegevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben meegevaren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben meegevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben meegevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben meegevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt meegevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft meegevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft meegevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mee te varen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| mee te zullen varen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| mee zal varen | bijzin, toekomende tijd |
| mee zou varen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zouden varen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zoudt varen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zullen varen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| mee zullen varen | bijzin, toekomende tijd |
| mee zult varen | bijzin, toekomende tijd |
| meegevaren | verleden tijd, deelwoord |
| meegevaren te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| meegevaren zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| meevaar | bijzin, tegenwoordige tijd |
| meevaart | bijzin, tegenwoordige tijd |
| meevarend | onvoltooid, deelwoord |
| meevoer | bijzin, verleden tijd |
| meevoeren | bijzin, verleden tijd |
| meevoert | bijzin, verleden tijd |
| te hebben meegevaren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen meevaren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vaar mee | gebiedende wijs |
| voer mee | verleden tijd |
| zal meegevaren hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal meegevaren hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal meegevaren hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal meevaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal meevaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal meevaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal meevaren | bijzin, toekomende tijd |
| zou meegevaren hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou meegevaren hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou meegevaren hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou meevaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou meevaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou meevaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou meevaren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) meevaren mee zou(dt) varen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden meegevaren hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden meegevaren hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden meegevaren hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden meevaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden meevaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden meevaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden meevaren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt meegevaren hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt meevaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt meevaren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen meegevaren hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen meegevaren hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen meegevaren hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen meevaren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen meevaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen meevaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen meevaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen meevaren | bijzin, toekomende tijd |
| zult meegevaren hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult meevaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult meevaren | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal meevaren mee zult/zal varen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van mee bw en varen ww
Woordfamilie van meevaren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| meegevaren | voltooid deelwoord | meevaren |
| meevaar | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meevaren |
| meevaart | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meevaren |
| meevare | with-subordinate-clause | meevaren |
| meevarend | onvoltooid deelwoord | meevaren |
| meevarende | woordvorm | meevaren |
| vaar mee | gebiedende wijs | meevaren |
| vaart mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | meevaren |
| vare mee | woordvorm | meevaren |
| varen mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | meevaren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meevaren zijn vastgelegd.