Naar de inhoud

meevallen

een betere uitkomst vertonen dan verwacht

meevallen

werkwoord /'mevɑlə(n)/

Betekenis

  1. een betere uitkomst vertonen dan verwacht
  2. iets anders op zijn weg naar beneden begeleiden

Hoe spreek je meevallen uit?

/ˈmevɑlən/

Meevallen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈmevɑlən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
m maan
e veel
v vis
ɑ bad
l land
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van meevallen

meevallenhele werkwoord — viel meeverleden tijd enkelvoud — vielen meeverleden tijd meervoud — meegevallenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik val mee viel mee
jij valt mee viel mee
hij, zij, het valt mee viel mee
wij vallen mee vielen mee
jullie vallen mee vielen mee
zij vallen mee vielen mee
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben meegevallen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent meegevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is meegevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is meegevallen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
mee te vallen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
mee te zullen vallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
mee zal vallen bijzin, toekomende tijd
mee zou vallen bijzin, voorwaardelijk
mee zouden vallen bijzin, voorwaardelijk
mee zoudt vallen bijzin, voorwaardelijk
mee zullen vallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
mee zullen vallen bijzin, toekomende tijd
mee zult vallen bijzin, toekomende tijd
meegevallen verleden tijd, deelwoord
meegevallen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
meegevallen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
meeval bijzin, tegenwoordige tijd
meevallend onvoltooid, deelwoord
meevalt bijzin, tegenwoordige tijd
meeviel bijzin, verleden tijd
meevielen bijzin, verleden tijd
te zijn meegevallen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen meevallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
val mee gebiedende wijs
viel mee verleden tijd
waart meegevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren meegevallen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren meegevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren meegevallen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was meegevallen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was meegevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was meegevallen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal meegevallen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal meegevallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal meegevallen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal meevallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal meevallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal meevallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal meevallen bijzin, toekomende tijd
zijn meegevallen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn meegevallen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn meegevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn meegevallen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt meegevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou meegevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou meegevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou meegevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou meevallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou meevallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou meevallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou meevallen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) meevallen mee zou(dt) vallen bijzin, voorwaardelijk
zouden meegevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden meegevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden meegevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden meevallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden meevallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden meevallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden meevallen bijzin, voorwaardelijk
zoudt meegevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt meevallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt meevallen bijzin, voorwaardelijk
zullen meegevallen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen meegevallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen meegevallen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen meevallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen meevallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen meevallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen meevallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen meevallen bijzin, toekomende tijd
zult meegevallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult meevallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult meevallen bijzin, toekomende tijd
zult/zal meevallen mee zult/zal vallen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van mee bw en vallen

Woordfamilie van meevallen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
meegevallen voltooid deelwoord meevallen
meeval subordinate-clause, tegenwoordige tijd meevallen
meevalle with-subordinate-clause meevallen
meevallend onvoltooid deelwoord meevallen
meevallende woordvorm meevallen
meevalt subordinate-clause, tegenwoordige tijd meevallen
meeviel subordinate-clause, verleden tijd meevallen
meevielen subordinate-clause, verleden tijd meevallen
val mee gebiedende wijs meevallen
valle mee woordvorm meevallen
vallen mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon meevallen
valt mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon meevallen
viel mee verleden tijd meevallen
vielen mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon meevallen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meevallen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over meevallen

Hoe spreek ik meevallen uit?
Zo spreek je meevallen uit: /'mevɑlə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van meevallen?
Meevallen is een werkwoord. De betekenis is: een betere uitkomst vertonen dan verwacht. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik meevallen?
Zo vervoeg je meevallen zo: het voltooid deelwoord is meegevallen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord meevallen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. V 4
  5. A 1
  6. L 3
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

meevallen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. V 4
  5. A 1
  6. L 3
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

meevallen in het kort

meevallen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van meevallen staan er 46 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort meevallen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

meevallen: een betere uitkomst vertonen dan verwacht
Deel meevallen — standaardnederlands.nl