meetellen
werkwoord ˈmetɛlə(n)Betekenis
- iets erbij tellen
- van belang zijn
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Hoe spreek je meetellen uit?
/ˈmetɛlən/
Meetellen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| e | veel |
| t | tak |
| ɛ | bed |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van meetellen
meetellenhele werkwoord — telde meeverleden tijd enkelvoud — telden meeverleden tijd meervoud — meegeteldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | tel mee | telde mee |
| jij | telt mee | telde mee |
| hij, zij, het | telt mee | telde mee |
| wij | tellen mee | telden mee |
| jullie | tellen mee | telden mee |
| zij | tellen mee | telden mee |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben meegeteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent meegeteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is meegeteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was meegeteld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd meegeteld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt meegeteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal meegeteld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal meegeteld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou meegeteld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou meegeteld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had meegeteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had meegeteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had meegeteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden meegeteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden meegeteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden meegeteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt meegeteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb meegeteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben meegeteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben meegeteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben meegeteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben meegeteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt meegeteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft meegeteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft meegeteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is meegeteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is meegeteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mee te tellen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| mee te zullen tellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| mee zal tellen | bijzin, toekomende tijd |
| mee zou tellen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zouden tellen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zoudt tellen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zullen tellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| mee zullen tellen | bijzin, toekomende tijd |
| mee zult tellen | bijzin, toekomende tijd |
| meegeteld | verleden tijd, deelwoord |
| meegeteld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| meegeteld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| meegeteld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| meegeteld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| meegeteld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| meegeteld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| meegeteld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| meegeteld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| meegeteld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| meegeteld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| meetel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| meetelde | bijzin, verleden tijd |
| meetelden | bijzin, verleden tijd |
| meetellend | onvoltooid, deelwoord |
| meetelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te hebben meegeteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen meetellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tel mee | gebiedende wijs |
| telde mee | verleden tijd |
| waart meegeteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren meegeteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren meegeteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren meegeteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was meegeteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was meegeteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was meegeteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd meegeteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd meegeteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd meegeteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden meegeteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden meegeteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden meegeteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt meegeteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word meegeteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden meegeteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden meegeteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden meegeteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt meegeteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt meegeteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal meegeteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal meegeteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal meegeteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal meegeteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal meegeteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal meegeteld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal meegeteld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal meetellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal meetellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal meetellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal meetellen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn meegeteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn meegeteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn meegeteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt meegeteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou meegeteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou meegeteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou meegeteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou meegeteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou meegeteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou meegeteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou meegeteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou meegeteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou meegeteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou meetellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou meetellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou meetellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou meetellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) meetellen mee zou(dt) tellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden meegeteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden meegeteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden meegeteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden meegeteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden meegeteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden meegeteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden meegeteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden meegeteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden meegeteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden meetellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden meetellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden meetellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden meetellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt meegeteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt meegeteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt meegeteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt meetellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt meetellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen meegeteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen meegeteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen meegeteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen meegeteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen meegeteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen meegeteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen meegeteld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen meegeteld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen meegeteld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen meetellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen meetellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen meetellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen meetellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen meetellen | bijzin, toekomende tijd |
| zult meegeteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van mee bw en tellen ww
Woordfamilie van meetellen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| meegeteld | voltooid deelwoord | meetellen |
| meegetelde | woordvorm | meetellen |
| meetel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meetellen |
| meetelde | subordinate-clause, verleden tijd | meetellen |
| meetelden | subordinate-clause, verleden tijd | meetellen |
| meetelle | with-subordinate-clause | meetellen |
| meetellend | onvoltooid deelwoord | meetellen |
| meetellende | woordvorm | meetellen |
| meetelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meetellen |
| tel mee | gebiedende wijs | meetellen |
| telde mee | verleden tijd | meetellen |
| telden mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | meetellen |
| telle mee | woordvorm | meetellen |
| tellen mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | meetellen |
| telt mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | meetellen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meetellen zijn vastgelegd.