meeregeren
werkwoordBetekenis
- eveneens aan de regering deelnemen
Vervoeging van meeregeren
meeregerenhele werkwoord — regeerde meeverleden tijd enkelvoud — regeerden meeverleden tijd meervoud — meegeregeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | regeer mee | regeerde mee |
| jij | regeert mee | regeerde mee |
| hij, zij, het | regeert mee | regeerde mee |
| wij | regeren mee | regeerden mee |
| jullie | regeren mee | regeerden mee |
| zij | regeren mee | regeerden mee |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had meegeregeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had meegeregeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had meegeregeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden meegeregeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden meegeregeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden meegeregeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt meegeregeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb meegeregeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben meegeregeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben meegeregeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben meegeregeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben meegeregeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt meegeregeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft meegeregeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft meegeregeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mee te regeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| mee te zullen regeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| mee zal regeren | bijzin, toekomende tijd |
| mee zou regeren | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zouden regeren | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zoudt regeren | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zullen regeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| mee zullen regeren | bijzin, toekomende tijd |
| mee zult regeren | bijzin, toekomende tijd |
| meegeregeerd | verleden tijd, deelwoord |
| meegeregeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| meegeregeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| meeregeer | bijzin, tegenwoordige tijd |
| meeregeerde | bijzin, verleden tijd |
| meeregeerden | bijzin, verleden tijd |
| meeregeert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| meeregerend | onvoltooid, deelwoord |
| regeer mee | gebiedende wijs |
| regeerde mee | verleden tijd |
| te hebben meegeregeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen meeregeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal meegeregeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal meegeregeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal meegeregeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal meeregeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal meeregeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal meeregeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal meeregeren | bijzin, toekomende tijd |
| zou meegeregeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou meegeregeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou meegeregeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou meeregeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou meeregeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou meeregeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou meeregeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) meeregeren mee zou(dt) regeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden meegeregeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden meegeregeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden meegeregeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden meeregeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden meeregeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden meeregeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden meeregeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt meegeregeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt meeregeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt meeregeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen meegeregeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen meegeregeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen meegeregeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen meeregeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen meeregeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen meeregeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen meeregeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen meeregeren | bijzin, toekomende tijd |
| zult meegeregeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult meeregeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult meeregeren | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal meeregeren mee zult/zal regeren | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van mee en regeren
Woordfamilie van meeregeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| meegeregeerd | voltooid deelwoord | meeregeren |
| meeregeer | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meeregeren |
| meeregeerde | subordinate-clause, verleden tijd | meeregeren |
| meeregeerden | subordinate-clause, verleden tijd | meeregeren |
| meeregeert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meeregeren |
| meeregere | with-subordinate-clause | meeregeren |
| meeregerend | onvoltooid deelwoord | meeregeren |
| meeregerende | woordvorm | meeregeren |
| regeer mee | gebiedende wijs | meeregeren |
| regeerde mee | verleden tijd | meeregeren |
| regeerden mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | meeregeren |
| regeert mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | meeregeren |
| regere mee | woordvorm | meeregeren |
| regeren mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | meeregeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meeregeren zijn vastgelegd.