meemaken
werkwoord ˈmemakə(n)Betekenis
- iets ~: getuige zijn van een gebeurtenis; beleven van een gebeurtenis
Hoe spreek je meemaken uit?
/ˈmemakən/
Meemaken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| e | veel |
| a | maan |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van meemaken
meemakenhele werkwoord — maakte meeverleden tijd enkelvoud — maakten meeverleden tijd meervoud — meegemaaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | maak mee | maakte mee |
| jij | maakt mee | maakte mee |
| hij, zij, het | maakt mee | maakte mee |
| wij | maken mee | maakten mee |
| jullie | maken mee | maakten mee |
| zij | maken mee | maakten mee |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben meegemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent meegemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is meegemaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was meegemaakt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd meegemaakt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt meegemaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal meegemaakt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal meegemaakt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou meegemaakt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou meegemaakt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had meegemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had meegemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had meegemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden meegemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden meegemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden meegemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt meegemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb meegemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben meegemaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben meegemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben meegemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben meegemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt meegemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft meegemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft meegemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is meegemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is meegemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| maak mee | gebiedende wijs |
| maakte mee | verleden tijd |
| mee te maken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| mee te zullen maken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| mee zal maken | bijzin, toekomende tijd |
| mee zou maken | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zouden maken | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zoudt maken | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zullen maken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| mee zullen maken | bijzin, toekomende tijd |
| mee zult maken | bijzin, toekomende tijd |
| meegemaakt | verleden tijd, deelwoord |
| meegemaakt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| meegemaakt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| meegemaakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| meegemaakt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| meegemaakt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| meegemaakt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| meegemaakt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| meegemaakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| meegemaakt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| meegemaakt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| meemaak | bijzin, tegenwoordige tijd |
| meemaakt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| meemaakte | bijzin, verleden tijd |
| meemaakten | bijzin, verleden tijd |
| meemakend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben meegemaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen meemaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart meegemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren meegemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren meegemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren meegemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was meegemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was meegemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was meegemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd meegemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd meegemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd meegemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden meegemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden meegemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden meegemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt meegemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word meegemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden meegemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden meegemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden meegemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt meegemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt meegemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal meegemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal meegemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal meegemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal meegemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal meegemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal meegemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal meegemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal meemaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal meemaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal meemaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal meemaken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn meegemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn meegemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn meegemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt meegemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou meegemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou meegemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou meegemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou meegemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou meegemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou meegemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou meegemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou meegemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou meegemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou meemaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou meemaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou meemaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou meemaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) meemaken mee zou(dt) maken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden meegemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden meegemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden meegemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden meegemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden meegemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden meegemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden meegemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden meegemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden meegemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden meemaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden meemaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden meemaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden meemaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt meegemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt meegemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt meegemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt meemaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt meemaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen meegemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen meegemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen meegemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen meegemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen meegemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen meegemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen meegemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen meegemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen meegemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen meemaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen meemaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen meemaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen meemaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen meemaken | bijzin, toekomende tijd |
| zult meegemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van mee bw en maken ww
Woordfamilie van meemaken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| maak mee | gebiedende wijs | meemaken |
| maakt mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | meemaken |
| maakte mee | verleden tijd | meemaken |
| maakten mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | meemaken |
| make mee | woordvorm | meemaken |
| maken mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | meemaken |
| meegemaakt | voltooid deelwoord | meemaken |
| meegemaakte | woordvorm | meemaken |
| meemaak | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meemaken |
| meemaakt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meemaken |
| meemaakte | subordinate-clause, verleden tijd | meemaken |
| meemaakten | subordinate-clause, verleden tijd | meemaken |
| meemake | with-subordinate-clause | meemaken |
| meemakend | onvoltooid deelwoord | meemaken |
| meemakende | woordvorm | meemaken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meemaken zijn vastgelegd.