Naar de inhoud

meeluisteren

samen met een ander of anderen luisteren

meeluisteren

werkwoord

Betekenis

  1. samen met een ander of anderen luisteren

Vervoeging van meeluisteren

meeluisterenhele werkwoord — luisterde meeverleden tijd enkelvoud — luisterden meeverleden tijd meervoud — meegeluisterdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik luister mee luisterde mee
jij luistert mee luisterde mee
hij, zij, het luistert mee luisterde mee
wij luisteren mee luisterden mee
jullie luisteren mee luisterden mee
zij luisteren mee luisterden mee
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had meegeluisterd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had meegeluisterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had meegeluisterd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden meegeluisterd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden meegeluisterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden meegeluisterd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt meegeluisterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb meegeluisterd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben meegeluisterd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben meegeluisterd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben meegeluisterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben meegeluisterd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt meegeluisterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft meegeluisterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft meegeluisterd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
luister mee gebiedende wijs
luisterde mee verleden tijd
mee te luisteren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
mee te zullen luisteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
mee zal luisteren bijzin, toekomende tijd
mee zou luisteren bijzin, voorwaardelijk
mee zouden luisteren bijzin, voorwaardelijk
mee zoudt luisteren bijzin, voorwaardelijk
mee zullen luisteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
mee zullen luisteren bijzin, toekomende tijd
mee zult luisteren bijzin, toekomende tijd
meegeluisterd verleden tijd, deelwoord
meegeluisterd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
meegeluisterd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
meeluister bijzin, tegenwoordige tijd
meeluisterde bijzin, verleden tijd
meeluisterden bijzin, verleden tijd
meeluisterend onvoltooid, deelwoord
meeluistert bijzin, tegenwoordige tijd
te hebben meegeluisterd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen meeluisteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal meegeluisterd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal meegeluisterd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal meegeluisterd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal meeluisteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal meeluisteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal meeluisteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal meeluisteren bijzin, toekomende tijd
zou meegeluisterd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou meegeluisterd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou meegeluisterd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou meeluisteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou meeluisteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou meeluisteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou meeluisteren bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) meeluisteren mee zou(dt) luisteren bijzin, voorwaardelijk
zouden meegeluisterd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden meegeluisterd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden meegeluisterd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden meeluisteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden meeluisteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden meeluisteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden meeluisteren bijzin, voorwaardelijk
zoudt meegeluisterd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt meeluisteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt meeluisteren bijzin, voorwaardelijk
zullen meegeluisterd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen meegeluisterd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen meegeluisterd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen meeluisteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen meeluisteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen meeluisteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen meeluisteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen meeluisteren bijzin, toekomende tijd
zult meegeluisterd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult meeluisteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult meeluisteren bijzin, toekomende tijd
zult/zal meeluisteren mee zult/zal luisteren bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van mee en luisteren

Woordfamilie van meeluisteren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
luister mee gebiedende wijs meeluisteren
luisterde mee verleden tijd meeluisteren
luisterden mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon meeluisteren
luistere mee woordvorm meeluisteren
luisteren mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon meeluisteren
luistert mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon meeluisteren
meegeluisterd voltooid deelwoord meeluisteren
meeluister subordinate-clause, tegenwoordige tijd meeluisteren
meeluisterde subordinate-clause, verleden tijd meeluisteren
meeluisterden subordinate-clause, verleden tijd meeluisteren
meeluistere with-subordinate-clause meeluisteren
meeluisterend onvoltooid deelwoord meeluisteren
meeluisterende woordvorm meeluisteren
meeluistert subordinate-clause, tegenwoordige tijd meeluisteren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meeluisteren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over meeluisteren

Wat betekent meeluisteren?
Meeluisteren is een werkwoord. Het woord betekent: samen met een ander of anderen luisteren.
Hoe vervoeg je meeluisteren?
Je vervoegt meeluisteren als volgt: het voltooid deelwoord is meegeluisterd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord meeluisteren is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. L 3
  5. U 4
  6. I 1
  7. S 2
  8. T 2
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

meeluisteren levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. L 3
  5. U 2
  6. I 2
  7. S 2
  8. T 2
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 21 zonder bonus
  14. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

meeluisteren in het kort

meeluisteren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van meeluisteren zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort meeluisteren bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

meeluisteren: samen met een ander of anderen luisteren
Deel meeluisteren — standaardnederlands.nl