Naar de inhoud

meekomen

met iemand ergens heen gaan

meekomen

werkwoord

Betekenis

  1. met iemand ergens heen gaan
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van meekomen

meekomenhele werkwoord — kwam meeverleden tijd enkelvoud — kwamen meeverleden tijd meervoud — meegekomenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik kom mee kwam mee
jij komt mee kwaamt mee
hij, zij, het komt mee kwam mee
wij komen mee kwamen mee
jullie komen mee kwamen mee
zij komen mee kwamen mee
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben meegekomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent meegekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is meegekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is meegekomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kom mee gebiedende wijs
kwam mee verleden tijd
mee te komen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
mee te zullen komen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
mee zal komen bijzin, toekomende tijd
mee zou komen bijzin, voorwaardelijk
mee zouden komen bijzin, voorwaardelijk
mee zoudt komen bijzin, voorwaardelijk
mee zullen komen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
mee zullen komen bijzin, toekomende tijd
mee zult komen bijzin, toekomende tijd
meegekomen verleden tijd, deelwoord
meegekomen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
meegekomen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
meekom bijzin, tegenwoordige tijd
meekomend onvoltooid, deelwoord
meekomt bijzin, tegenwoordige tijd
meekwaamt bijzin, verleden tijd
meekwam bijzin, verleden tijd
meekwamen bijzin, verleden tijd
te zijn meegekomen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen meekomen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart meegekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren meegekomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren meegekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren meegekomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was meegekomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was meegekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was meegekomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal meegekomen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal meegekomen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal meegekomen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal meekomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal meekomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal meekomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal meekomen bijzin, toekomende tijd
zijn meegekomen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn meegekomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn meegekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn meegekomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt meegekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou meegekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou meegekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou meegekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou meekomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou meekomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou meekomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou meekomen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) meekomen mee zou(dt) komen bijzin, voorwaardelijk
zouden meegekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden meegekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden meegekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden meekomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden meekomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden meekomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden meekomen bijzin, voorwaardelijk
zoudt meegekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt meekomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt meekomen bijzin, voorwaardelijk
zullen meegekomen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen meegekomen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen meegekomen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen meekomen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen meekomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen meekomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen meekomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen meekomen bijzin, toekomende tijd
zult meegekomen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult meekomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult meekomen bijzin, toekomende tijd
zult/zal meekomen mee zult/zal komen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van mee bw en komen ww

Woordfamilie van meekomen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
kom mee gebiedende wijs meekomen
kome mee woordvorm meekomen
komen mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon meekomen
komt mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon meekomen
kwam mee verleden tijd meekomen
kwamen mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon meekomen
meegekomen voltooid deelwoord meekomen
meekom subordinate-clause, tegenwoordige tijd meekomen
meekome with-subordinate-clause meekomen
meekomend onvoltooid deelwoord meekomen
meekomende woordvorm meekomen
meekomt subordinate-clause, tegenwoordige tijd meekomen
meekwam subordinate-clause, verleden tijd meekomen
meekwamen subordinate-clause, verleden tijd meekomen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meekomen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over meekomen

Wat betekent meekomen?
Meekomen is een werkwoord. Het woord betekent: met iemand ergens heen gaan. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je meekomen?
Je vervoegt meekomen als volgt: het voltooid deelwoord is meegekomen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord meekomen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. K 3
  5. O 1
  6. M 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

meekomen levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. K 3
  5. O 1
  6. M 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 zonder bonus
  10. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

meekomen in het kort

meekomen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van meekomen zijn 48 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort meekomen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

meekomen: met iemand ergens heen gaan
Deel meekomen — standaardnederlands.nl