meekomen
werkwoordBetekenis
- met iemand ergens heen gaan
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van meekomen
meekomenhele werkwoord — kwam meeverleden tijd enkelvoud — kwamen meeverleden tijd meervoud — meegekomenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kom mee | kwam mee |
| jij | komt mee | kwaamt mee |
| hij, zij, het | komt mee | kwam mee |
| wij | komen mee | kwamen mee |
| jullie | komen mee | kwamen mee |
| zij | komen mee | kwamen mee |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben meegekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent meegekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is meegekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is meegekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kom mee | gebiedende wijs |
| kwam mee | verleden tijd |
| mee te komen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| mee te zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| mee zal komen | bijzin, toekomende tijd |
| mee zou komen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zouden komen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zoudt komen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| mee zullen komen | bijzin, toekomende tijd |
| mee zult komen | bijzin, toekomende tijd |
| meegekomen | verleden tijd, deelwoord |
| meegekomen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| meegekomen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| meekom | bijzin, tegenwoordige tijd |
| meekomend | onvoltooid, deelwoord |
| meekomt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| meekwaamt | bijzin, verleden tijd |
| meekwam | bijzin, verleden tijd |
| meekwamen | bijzin, verleden tijd |
| te zijn meegekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen meekomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart meegekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren meegekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren meegekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren meegekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was meegekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was meegekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was meegekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal meegekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal meegekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal meegekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal meekomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal meekomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal meekomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal meekomen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn meegekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn meegekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn meegekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn meegekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt meegekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou meegekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou meegekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou meegekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou meekomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou meekomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou meekomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou meekomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) meekomen mee zou(dt) komen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden meegekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden meegekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden meegekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden meekomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden meekomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden meekomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden meekomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt meegekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt meekomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt meekomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen meegekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen meegekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen meegekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen meekomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen meekomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen meekomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen meekomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen meekomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult meegekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult meekomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult meekomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal meekomen mee zult/zal komen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van mee bw en komen ww
Woordfamilie van meekomen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kom mee | gebiedende wijs | meekomen |
| kome mee | woordvorm | meekomen |
| komen mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | meekomen |
| komt mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | meekomen |
| kwam mee | verleden tijd | meekomen |
| kwamen mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | meekomen |
| meegekomen | voltooid deelwoord | meekomen |
| meekom | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meekomen |
| meekome | with-subordinate-clause | meekomen |
| meekomend | onvoltooid deelwoord | meekomen |
| meekomende | woordvorm | meekomen |
| meekomt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meekomen |
| meekwam | subordinate-clause, verleden tijd | meekomen |
| meekwamen | subordinate-clause, verleden tijd | meekomen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meekomen zijn vastgelegd.