Naar de inhoud

medewerken

samen met een ander of met anderen deelnemen aan een bepaald werk, samenwerken en vooral niet tegenwerken

medewerken

werkwoord

Betekenis

  1. samen met een ander of met anderen deelnemen aan een bepaald werk, samenwerken en vooral niet tegenwerken

Vervoeging van medewerken

medewerkenhele werkwoord — werkte medeverleden tijd enkelvoud — werkten medeverleden tijd meervoud — medegewerktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik werk mede werkte mede
jij werkt mede werkte mede
hij, zij, het werkt mede werkte mede
wij werken mede werkten mede
jullie werken mede werkten mede
zij werken mede werkten mede
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had medegewerkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had medegewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had medegewerkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden medegewerkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden medegewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden medegewerkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt medegewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb medegewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben medegewerkt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben medegewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben medegewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben medegewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt medegewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft medegewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft medegewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
mede te werken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
mede te zullen werken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
mede zal werken bijzin, toekomende tijd
mede zou werken bijzin, voorwaardelijk
mede zouden werken bijzin, voorwaardelijk
mede zoudt werken bijzin, voorwaardelijk
mede zullen werken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
mede zullen werken bijzin, toekomende tijd
mede zult werken bijzin, toekomende tijd
medegewerkt verleden tijd, deelwoord
medegewerkt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
medegewerkt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
medewerk bijzin, tegenwoordige tijd
medewerkend onvoltooid, deelwoord
medewerkt bijzin, tegenwoordige tijd
medewerkte bijzin, verleden tijd
medewerkten bijzin, verleden tijd
te hebben medegewerkt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen medewerken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
werk mede gebiedende wijs
werkte mede verleden tijd
zal medegewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal medegewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal medegewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal medewerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal medewerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal medewerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal medewerken bijzin, toekomende tijd
zou medegewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou medegewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou medegewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou medewerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou medewerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou medewerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou medewerken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) medewerken mede zou(dt) werken bijzin, voorwaardelijk
zouden medegewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden medegewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden medegewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden medewerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden medewerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden medewerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden medewerken bijzin, voorwaardelijk
zoudt medegewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt medewerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt medewerken bijzin, voorwaardelijk
zullen medegewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen medegewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen medegewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen medewerken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen medewerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen medewerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen medewerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen medewerken bijzin, toekomende tijd
zult medegewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult medewerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult medewerken bijzin, toekomende tijd
zult/zal medewerken mede zult/zal werken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van mede en werken

Woordfamilie van medewerken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
medegewerkt voltooid deelwoord medewerken
medewerk subordinate-clause, tegenwoordige tijd medewerken
medewerke with-subordinate-clause medewerken
medewerkend onvoltooid deelwoord medewerken
medewerkende woordvorm medewerken
medewerkt subordinate-clause, tegenwoordige tijd medewerken
medewerkte subordinate-clause, verleden tijd medewerken
medewerkten subordinate-clause, verleden tijd medewerken
werk mede gebiedende wijs medewerken
werke mede woordvorm medewerken
werken mede aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon medewerken
werkt mede aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon medewerken
werkte mede verleden tijd medewerken
werkten mede aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon medewerken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van medewerken zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over medewerken

Wat is de betekenis van medewerken?
Medewerken is een werkwoord. De betekenis is: samen met een ander of met anderen deelnemen aan een bepaald werk, samenwerken en vooral niet tegenwerken.
Hoe vervoeg ik medewerken?
Zo vervoeg je medewerken zo: het voltooid deelwoord is medegewerkt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord medewerken is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. M 3
  2. E 1
  3. D 2
  4. E 1
  5. W 5
  6. E 1
  7. R 2
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

medewerken levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. M 3
  2. E 1
  3. D 2
  4. E 1
  5. W 5
  6. E 1
  7. R 2
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 zonder bonus
  12. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

medewerken in het kort

medewerken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van medewerken staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort medewerken bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

medewerken: samen met een ander of met anderen deelnemen aan een bepaald werk, samenwerken en vooral niet tegenwerken
Deel medewerken — standaardnederlands.nl