Naar de inhoud

medebrengen

meebrengen, meenemen

medebrengen

werkwoord

Betekenis

  1. meebrengen, meenemen

Vervoeging van medebrengen

medebrengenhele werkwoord — bracht medeverleden tijd enkelvoud — brachten medeverleden tijd meervoud — medegebrachtvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik breng mede bracht mede
jij brengt mede bracht mede
hij, zij, het brengt mede bracht mede
wij brengen mede brachten mede
jullie brengen mede brachten mede
zij brengen mede brachten mede
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
bracht mede verleden tijd
breng mede gebiedende wijs
ev. gebiedende wijs
had medegebracht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had medegebracht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had medegebracht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden medegebracht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden medegebracht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden medegebracht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt medegebracht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb medegebracht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben medegebracht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben medegebracht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben medegebracht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben medegebracht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt medegebracht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft medegebracht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft medegebracht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
mede te brengen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
mede te zullen brengen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
mede zal brengen bijzin, toekomende tijd
mede zou brengen bijzin, voorwaardelijk
mede zouden brengen bijzin, voorwaardelijk
mede zoudt brengen bijzin, voorwaardelijk
mede zullen brengen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
mede zullen brengen bijzin, toekomende tijd
mede zult brengen bijzin, toekomende tijd
medebracht bijzin, verleden tijd
medebrachten bijzin, verleden tijd
medebreng bijzin, tegenwoordige tijd
medebrengend onvoltooid, deelwoord
medebrengt bijzin, tegenwoordige tijd
medegebracht verleden tijd, deelwoord
medegebracht te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
medegebracht zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te hebben medegebracht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen medebrengen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal medebrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal medebrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal medebrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal medebrengen bijzin, toekomende tijd
zal medegebracht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal medegebracht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal medegebracht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou medebrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou medebrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou medebrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou medebrengen bijzin, voorwaardelijk
zou medegebracht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou medegebracht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou medegebracht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) medebrengen mede zou(dt) brengen bijzin, voorwaardelijk
zouden medebrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden medebrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden medebrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden medebrengen bijzin, voorwaardelijk
zouden medegebracht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden medegebracht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden medegebracht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt medebrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt medebrengen bijzin, voorwaardelijk
zoudt medegebracht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen medebrengen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen medebrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen medebrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen medebrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen medebrengen bijzin, toekomende tijd
zullen medegebracht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen medegebracht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen medegebracht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult medebrengen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult medebrengen bijzin, toekomende tijd
zult medegebracht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal medebrengen mede zult/zal brengen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van mede en brengen

Woordfamilie van medebrengen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bracht mede verleden tijd medebrengen
brachten mede aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon medebrengen
breng mede gebiedende wijs medebrengen
brenge mede woordvorm medebrengen
brengen mede aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon medebrengen
brengt mede aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon medebrengen
medebracht subordinate-clause, verleden tijd medebrengen
medebrachten subordinate-clause, verleden tijd medebrengen
medebreng subordinate-clause, tegenwoordige tijd medebrengen
medebrenge with-subordinate-clause medebrengen
medebrengend onvoltooid deelwoord medebrengen
medebrengende woordvorm medebrengen
medebrengt subordinate-clause, tegenwoordige tijd medebrengen
medegebracht voltooid deelwoord medebrengen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van medebrengen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over medebrengen

Wat is de betekenis van medebrengen?
Medebrengen is een werkwoord. De betekenis is: meebrengen, meenemen.
Hoe vervoeg ik medebrengen?
Zo vervoeg je medebrengen zo: het voltooid deelwoord is medegebracht. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord medebrengen is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. M 3
  2. E 1
  3. D 2
  4. E 1
  5. B 3
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. G 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

medebrengen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. M 3
  2. E 1
  3. D 2
  4. E 1
  5. B 4
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. G 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 20 zonder bonus
  13. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

medebrengen in het kort

medebrengen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van medebrengen staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort medebrengen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

medebrengen: meebrengen, meenemen
Deel medebrengen — standaardnederlands.nl