mantel
zelfstandig naamwoord ˈmɑntəlBetekenis
- een omhullend kledingstuk
- een omhulsel rond het eigenlijke apparaat
- jas,
- omhulsel
- tafellaken, tafelkleed
Hoe spreek je mantel uit?
/ˈmɑntəl/
Mantel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- omhullend kledingstuk
- omhulsel rond het eigenlijke apparaat
- benaming voor schelpdieren uit de orde Ostreoida
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| mantels | meervoud |
| manteltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| manteltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
via Middelnederlands mantel van middeleeuws Latijn mantellum, in de betekenis van ‘overjas’ voor het eerst aangetroffen in 1220
Woordfamilie van mantel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| manteltje | verkleinwoord | mantel |
| manteltjes | verkleinwoord meervoud | mantel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mantel zijn vastgelegd.