Naar de inhoud

mankeren

een gebrek hebben

mankeren

werkwoord

Betekenis

  1. een gebrek hebben
  2. iets ~ aan: een gebrek vertonen
  3. iets ~: een ziekte of gebrek hebben
  4. te laat zijn om mee te reizen
  5. tweede betekenisomschrijving.
  6. enz.

Vervoeging van mankeren

mankerenhele werkwoord — mankeerdeverleden tijd enkelvoud — mankeerdenverleden tijd meervoud — gemankeerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik mankeer mankeerde
jij mankeert mankeerde
hij, zij, het mankeert mankeerde
wij mankeren mankeerden
jullie mankeren mankeerden
zij mankeren mankeerden
Alle 58 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gemankeerd verleden tijd, deelwoord
gemankeerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gemankeerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gemankeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gemankeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gemankeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gemankeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gemankeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gemankeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gemankeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gemankeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gemankeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gemankeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gemankeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gemankeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gemankeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gemankeerd verleden tijd, deelwoord
heeft gemankeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gemankeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
mankeer gebiedende wijs
mankeerde verleden tijd
mankeert tegenwoordige tijd
mankere aanvoegende wijs
mankerend onvoltooid, deelwoord
te hebben gemankeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te mankeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen mankeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gemankeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gemankeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gemankeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal mankeren toekomende tijd
zal mankeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal mankeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal mankeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gemankeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gemankeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gemankeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou mankeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou mankeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou mankeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gemankeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gemankeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gemankeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden mankeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden mankeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden mankeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gemankeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt mankeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gemankeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gemankeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gemankeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen mankeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen mankeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen mankeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen mankeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gemankeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult mankeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘missen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1588

Woordfamilie van mankeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gemankeerd voltooid deelwoord mankeren
mankeer gebiedende wijs mankeren
mankeerde verleden tijd mankeren
mankeerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon mankeren
mankeert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon mankeren
mankerend onvoltooid deelwoord mankeren
mankerende woordvorm mankeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mankeren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over mankeren

Wat betekent mankeren?
Mankeren is een werkwoord. Het woord betekent: een gebrek hebben. Deze pagina beschrijft 6 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je mankeren?
Je vervoegt mankeren als volgt: de tegenwoordige tijd is mankeer, de verleden tijd is mankeerde en het voltooid deelwoord is gemankeerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord mankeren is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. M 3
  2. A 1
  3. N 1
  4. K 3
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

mankeren levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 57 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. M 3
  2. A 1
  3. N 1
  4. K 3
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 zonder bonus
  10. 57 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

mankeren in het kort

mankeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 6 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van mankeren zijn 32 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort mankeren bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

mankeren: een gebrek hebben
Deel mankeren — standaardnederlands.nl