mankeren
werkwoordBetekenis
- een gebrek hebben
- iets ~ aan: een gebrek vertonen
- iets ~: een ziekte of gebrek hebben
- te laat zijn om mee te reizen
- tweede betekenisomschrijving.
- enz.
Vervoeging van mankeren
mankerenhele werkwoord — mankeerdeverleden tijd enkelvoud — mankeerdenverleden tijd meervoud — gemankeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | mankeer | mankeerde |
| jij | mankeert | mankeerde |
| hij, zij, het | mankeert | mankeerde |
| wij | mankeren | mankeerden |
| jullie | mankeren | mankeerden |
| zij | mankeren | mankeerden |
Alle 58 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gemankeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gemankeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemankeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemankeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemankeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemankeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemankeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemankeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemankeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemankeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemankeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemankeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemankeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemankeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemankeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemankeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemankeerd | verleden tijd, deelwoord |
| heeft gemankeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemankeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mankeer | gebiedende wijs |
| mankeerde | verleden tijd |
| mankeert | tegenwoordige tijd |
| mankere | aanvoegende wijs |
| mankerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemankeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te mankeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen mankeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gemankeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemankeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemankeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal mankeren | toekomende tijd |
| zal mankeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal mankeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal mankeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gemankeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemankeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemankeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou mankeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou mankeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou mankeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemankeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemankeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemankeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden mankeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden mankeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden mankeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemankeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt mankeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemankeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemankeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemankeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen mankeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen mankeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen mankeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen mankeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemankeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult mankeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘missen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1588
Woordfamilie van mankeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemankeerd | voltooid deelwoord | mankeren |
| mankeer | gebiedende wijs | mankeren |
| mankeerde | verleden tijd | mankeren |
| mankeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | mankeren |
| mankeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | mankeren |
| mankerend | onvoltooid deelwoord | mankeren |
| mankerende | woordvorm | mankeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mankeren zijn vastgelegd.