malverseren
werkwoordBetekenis
- toevertrouwde gelden verduisteren, frauderen
Vervoeging van malverseren
malverserenhele werkwoord — malverseerdeverleden tijd enkelvoud — malverseerdenverleden tijd meervoud — gemalverseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | malverseer | malverseerde |
| jij | malverseert | malverseerde |
| hij, zij, het | malverseert | malverseerde |
| wij | malverseren | malverseerden |
| jullie | malverseren | malverseerden |
| zij | malverseren | malverseerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gemalverseerd | verleden tijd, deelwoord |
| gemalverseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemalverseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemalverseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemalverseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemalverseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemalverseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemalverseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemalverseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemalverseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemalverseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemalverseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemalverseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemalverseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemalverseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemalverseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemalverseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemalverseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| malverseer | gebiedende wijs |
| malverseerde | verleden tijd |
| malversere | aanvoegende wijs |
| malverserend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemalverseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te malverseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen malverseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gemalverseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemalverseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemalverseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal malverseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal malverseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal malverseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gemalverseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemalverseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemalverseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou malverseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou malverseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou malverseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemalverseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemalverseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemalverseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden malverseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden malverseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden malverseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemalverseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt malverseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemalverseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemalverseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemalverseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen malverseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen malverseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen malverseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen malverseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemalverseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult malverseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse malverser (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van malverseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemalverseerd | voltooid deelwoord | malverseren |
| malverseer | gebiedende wijs | malverseren |
| malverseerde | verleden tijd | malverseren |
| malverseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | malverseren |
| malverseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | malverseren |
| malversere | aanvoegende wijs | malverseren |
| malverserend | onvoltooid deelwoord | malverseren |
| malverserende | woordvorm | malverseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van malverseren zijn vastgelegd.