lurken
werkwoordBetekenis
- hoorbaar zuigen of drinken
- passief deelnemen aan een interactief bedoelde toepassing van internet, dus zonder te reageren of bij te dragen
Vervoeging van lurken
lurkenhele werkwoord — lurkteverleden tijd enkelvoud — lurktenverleden tijd meervoud — gelurktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | lurk | lurkte |
| jij | lurkt | lurkte |
| hij, zij, het | lurkt | lurkte |
| wij | lurken | lurkten |
| jullie | lurken | lurkten |
| zij | lurken | lurkten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gelurkt | verleden tijd, deelwoord |
| gelurkt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelurkt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gelurkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gelurkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gelurkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gelurkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gelurkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gelurkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gelurkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gelurkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelurkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gelurkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelurkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gelurkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gelurkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelurkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelurkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| lurk | gebiedende wijs |
| lurke | aanvoegende wijs |
| lurkend | onvoltooid, deelwoord |
| lurkte | verleden tijd |
| te hebben gelurkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te lurken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen lurken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gelurkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelurkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gelurkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal lurken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal lurken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal lurken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gelurkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelurkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelurkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou lurken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou lurken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou lurken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gelurkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gelurkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gelurkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden lurken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden lurken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden lurken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gelurkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt lurken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gelurkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gelurkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gelurkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen lurken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen lurken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen lurken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen lurken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gelurkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult lurken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
[1] vermoedelijke klanknabootsing Typisch drinken van een kind aan de borst van zijn moeder. Met kleine slokjes en met bijgeluid. Werd ook gebruikt voor bijgeluiden van (water)pompen, in de betekenis van ‘hoorbaar zuigen’ voor het eerst aangetroffen in 1611
Woordfamilie van lurken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gelurkt | voltooid deelwoord | lurken |
| lurk | gebiedende wijs | lurken |
| lurke | aanvoegende wijs | lurken |
| lurkend | onvoltooid deelwoord | lurken |
| lurkende | woordvorm | lurken |
| lurkt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | lurken |
| lurkte | verleden tijd | lurken |
| lurkten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | lurken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lurken zijn vastgelegd.