luifel
zelfstandig naamwoord ˈlœyfəlBetekenis
- een afdak, dat met de ene horizontale kant aan de buitenzijde van een gebouw is bevestigd, terwijl de daartegenoverliggende zijde vrij dragend is
Hoe spreek je luifel uit?
/ˈlœyfəl/
Luifel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| œy | huis |
| f | fiets |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- afdak dat met de ene horizontale kant aan de buitenzijde van een gebouw is bevestigd, terwijl de daartegenoverliggende zijde vrij dragend is
- overkapping of doek aan de voorzijde van een tent [1] om extra beschutting te bieden
- veelal kapvormig, naar voren uitstekend deel van bijv. een hoed
- neus [1] informal
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| luifels | meervoud |
| luifeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| luifeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘afdak’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1576.
Woordfamilie van luifel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| luifels | meervoud | luifel |
| luifeltje | verkleinwoord | luifel |
| luifeltjes | verkleinwoord meervoud | luifel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van luifel zijn vastgelegd.