lospeuteren
werkwoord ˈlɔspøtərə(n)Betekenis
- met moeite losmaken
- door aandrang of overreding iets trachten te verkrijgen of te weten te komen
Hoe spreek je lospeuteren uit?
/ˈlɔspøtərən/
Lospeuteren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɔ | bot |
| s | sok |
| p | pak |
| ø | deur |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van lospeuteren
lospeuterenhele werkwoord — peuterde losverleden tijd enkelvoud — peuterden losverleden tijd meervoud — losgepeuterdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | peuter los | peuterde los |
| jij | peutert los | peuterde los |
| hij, zij, het | peutert los | peuterde los |
| wij | peuteren los | peuterden los |
| jullie | peuteren los | peuterden los |
| zij | peuteren los | peuterden los |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben losgepeuterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent losgepeuterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is losgepeuterd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was losgepeuterd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd losgepeuterd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt losgepeuterd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal losgepeuterd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal losgepeuterd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou losgepeuterd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou losgepeuterd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had losgepeuterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had losgepeuterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had losgepeuterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden losgepeuterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden losgepeuterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden losgepeuterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt losgepeuterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb losgepeuterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben losgepeuterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben losgepeuterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben losgepeuterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben losgepeuterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt losgepeuterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft losgepeuterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft losgepeuterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is losgepeuterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is losgepeuterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| los te peuteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| los te zullen peuteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| los zal peuteren | bijzin, toekomende tijd |
| los zou peuteren | bijzin, voorwaardelijk |
| los zouden peuteren | bijzin, voorwaardelijk |
| los zoudt peuteren | bijzin, voorwaardelijk |
| los zullen peuteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| los zullen peuteren | bijzin, toekomende tijd |
| los zult peuteren | bijzin, toekomende tijd |
| losgepeuterd | verleden tijd, deelwoord |
| losgepeuterd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| losgepeuterd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| losgepeuterd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| losgepeuterd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| losgepeuterd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| losgepeuterd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| losgepeuterd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| losgepeuterd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| losgepeuterd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| losgepeuterd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| lospeuter | bijzin, tegenwoordige tijd |
| lospeuterde | bijzin, verleden tijd |
| lospeuterden | bijzin, verleden tijd |
| lospeuterend | onvoltooid, deelwoord |
| lospeutert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| peuter los | gebiedende wijs |
| peuterde los | verleden tijd |
| te hebben losgepeuterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen lospeuteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart losgepeuterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren losgepeuterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren losgepeuterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren losgepeuterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was losgepeuterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was losgepeuterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was losgepeuterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd losgepeuterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd losgepeuterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd losgepeuterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden losgepeuterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden losgepeuterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden losgepeuterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt losgepeuterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word losgepeuterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden losgepeuterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden losgepeuterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden losgepeuterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt losgepeuterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt losgepeuterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal losgepeuterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal losgepeuterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal losgepeuterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal losgepeuterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal losgepeuterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal losgepeuterd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal losgepeuterd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal lospeuteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal lospeuteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal lospeuteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal lospeuteren | bijzin, toekomende tijd |
| zijn losgepeuterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn losgepeuterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn losgepeuterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt losgepeuterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou losgepeuterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou losgepeuterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou losgepeuterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou losgepeuterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou losgepeuterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou losgepeuterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou losgepeuterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou losgepeuterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou losgepeuterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou lospeuteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou lospeuteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou lospeuteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou lospeuteren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) lospeuteren los zou(dt) peuteren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden losgepeuterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden losgepeuterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden losgepeuterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden losgepeuterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden losgepeuterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden losgepeuterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden losgepeuterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden losgepeuterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden losgepeuterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden lospeuteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden lospeuteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden lospeuteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden lospeuteren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt losgepeuterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt losgepeuterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt losgepeuterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt lospeuteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt lospeuteren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen losgepeuterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen losgepeuterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen losgepeuterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen losgepeuterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen losgepeuterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen losgepeuterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen losgepeuterd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen losgepeuterd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen losgepeuterd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen lospeuteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen lospeuteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen lospeuteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen lospeuteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen lospeuteren | bijzin, toekomende tijd |
| zult losgepeuterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van los en peuteren
Woordfamilie van lospeuteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| losgepeuterd | voltooid deelwoord | lospeuteren |
| losgepeuterde | woordvorm | lospeuteren |
| lospeuter | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | lospeuteren |
| lospeuterde | subordinate-clause, verleden tijd | lospeuteren |
| lospeuterden | subordinate-clause, verleden tijd | lospeuteren |
| lospeutere | with-subordinate-clause | lospeuteren |
| lospeuterend | onvoltooid deelwoord | lospeuteren |
| lospeuterende | woordvorm | lospeuteren |
| lospeutert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | lospeuteren |
| peuter los | gebiedende wijs | lospeuteren |
| peuterde los | verleden tijd | lospeuteren |
| peuterden los | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | lospeuteren |
| peutere los | woordvorm | lospeuteren |
| peuteren los | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | lospeuteren |
| peutert los | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | lospeuteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lospeuteren zijn vastgelegd.