Naar de inhoud

loslopen

meevallen

loslopen

werkwoord /ˈlɔslopə/

Betekenis

  1. meevallen
  2. vrij rondlopen

Hoe spreek je loslopen uit?

/ˈlɔslopə/

Loslopen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈlɔslopə/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
l land
ɔ bot
s sok
o boot
p pak
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van loslopen

loslopenhele werkwoord — liep losverleden tijd enkelvoud — liepen losverleden tijd meervoud — losgelopenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik loop los liep los
jij loopt los liep los
hij, zij, het loopt los liep los
wij lopen los liepen los
jullie lopen los liepen los
zij lopen los liepen los
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had losgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had losgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had losgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden losgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden losgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden losgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt losgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb losgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben losgelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben losgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben losgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben losgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt losgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft losgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft losgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
liep los verleden tijd
loop los gebiedende wijs
los te lopen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
los te zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
los zal lopen bijzin, toekomende tijd
los zou lopen bijzin, voorwaardelijk
los zouden lopen bijzin, voorwaardelijk
los zoudt lopen bijzin, voorwaardelijk
los zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
los zullen lopen bijzin, toekomende tijd
los zult lopen bijzin, toekomende tijd
losgelopen verleden tijd, deelwoord
losgelopen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
losgelopen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
losliep bijzin, verleden tijd
losliepen bijzin, verleden tijd
losloop bijzin, tegenwoordige tijd
losloopt bijzin, tegenwoordige tijd
loslopend onvoltooid, deelwoord
te hebben losgelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen loslopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal losgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal losgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal losgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal loslopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal loslopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal loslopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal loslopen bijzin, toekomende tijd
zou losgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou losgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou losgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou loslopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou loslopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou loslopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou loslopen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) loslopen los zou(dt) lopen bijzin, voorwaardelijk
zouden losgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden losgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden losgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden loslopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden loslopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden loslopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden loslopen bijzin, voorwaardelijk
zoudt losgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt loslopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt loslopen bijzin, voorwaardelijk
zullen losgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen losgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen losgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen loslopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen loslopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen loslopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen loslopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen loslopen bijzin, toekomende tijd
zult losgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult loslopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult loslopen bijzin, toekomende tijd
zult/zal loslopen los zult/zal lopen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van los en lopen

Woordfamilie van loslopen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
liep los verleden tijd loslopen
liepen los aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon loslopen
loop los gebiedende wijs loslopen
loopt los aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon loslopen
lope los woordvorm loslopen
lopen los aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon loslopen
losgelopen voltooid deelwoord loslopen
losliep subordinate-clause, verleden tijd loslopen
losliepen subordinate-clause, verleden tijd loslopen
losloop subordinate-clause, tegenwoordige tijd loslopen
losloopt subordinate-clause, tegenwoordige tijd loslopen
loslope with-subordinate-clause loslopen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van loslopen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over loslopen

Hoe spreek ik loslopen uit?
Zo spreek je loslopen uit: /ˈlɔslopə/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van loslopen?
Loslopen is een werkwoord. De betekenis is: meevallen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik loslopen?
Zo vervoeg je loslopen zo: het voltooid deelwoord is losgelopen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord loslopen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. L 3
  2. O 1
  3. S 2
  4. L 3
  5. O 1
  6. P 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

loslopen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. L 3
  2. O 1
  3. S 2
  4. L 3
  5. O 1
  6. P 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

loslopen in het kort

loslopen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van loslopen staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort loslopen bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

loslopen: meevallen
Deel loslopen — standaardnederlands.nl