| ev. |
gebiedende wijs
|
| geloenst |
verleden tijd, deelwoord
|
| geloenst te zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| geloenst zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| had geloenst |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| had geloenst |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| had geloenst |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadden geloenst |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| hadden geloenst |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| hadden geloenst |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadt geloenst |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| heb geloenst |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben geloenst |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| hebben geloenst |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben geloenst |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| hebben geloenst |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| hebt geloenst |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft geloenst |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft geloenst |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| loens |
gebiedende wijs
|
| loense |
aanvoegende wijs
|
| loensend |
onvoltooid, deelwoord
|
| loenste |
verleden tijd
|
| te hebben geloenst |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te loensen |
actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te zullen loensen |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| zal geloenst hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal geloenst hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zal geloenst hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zal loensen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
|
| zal loensen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|
| zal loensen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
|
| zou geloenst hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou geloenst hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou geloenst hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zou loensen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
|
| zou loensen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zou loensen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
|
| zouden geloenst hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zouden geloenst hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zouden geloenst hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden loensen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
|
| zouden loensen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
|
| zouden loensen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
|
| zoudt geloenst hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt loensen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zullen geloenst hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zullen geloenst hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zullen geloenst hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zullen loensen |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| zullen loensen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
|
| zullen loensen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
|
| zullen loensen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
|
| zult geloenst hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zult loensen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|