lodderen
werkwoordBetekenis
- soezen
Vervoeging van lodderen
lodderenhele werkwoord — lodderdeverleden tijd enkelvoud — lodderdenverleden tijd meervoud — gelodderdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | lodder | lodderde |
| jij | loddert | lodderde |
| hij, zij, het | loddert | lodderde |
| wij | lodderen | lodderden |
| jullie | lodderen | lodderden |
| zij | lodderen | lodderden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gelodderd | verleden tijd, deelwoord |
| gelodderd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelodderd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gelodderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gelodderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gelodderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gelodderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gelodderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gelodderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gelodderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gelodderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelodderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gelodderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelodderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gelodderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gelodderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelodderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelodderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| lodder | gebiedende wijs |
| lodderde | verleden tijd |
| loddere | aanvoegende wijs |
| lodderend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gelodderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te lodderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen lodderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gelodderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelodderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gelodderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal lodderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal lodderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal lodderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gelodderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelodderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelodderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou lodderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou lodderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou lodderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gelodderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gelodderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gelodderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden lodderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden lodderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden lodderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gelodderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt lodderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gelodderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gelodderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gelodderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen lodderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen lodderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen lodderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen lodderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gelodderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult lodderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van lodder met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van lodderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gelodderd | voltooid deelwoord | lodderen |
| lodderde | verleden tijd | lodderen |
| lodderden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | lodderen |
| loddere | aanvoegende wijs | lodderen |
| lodderend | onvoltooid deelwoord | lodderen |
| lodderende | woordvorm | lodderen |
| loddert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | lodderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lodderen zijn vastgelegd.