liplezen
werkwoord ˈlɪplezə(n)Betekenis
- trachten door naar de beweging van iemands mond en diens lichaamstaal te kijken, te begrijpen wat er gezegd wordt, zonder het geluid te kunnen waarnemen
Hoe spreek je liplezen uit?
/ˈlɪplezən/
Liplezen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɪ | pit |
| p | pak |
| e | veel |
| z | zon |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van liplezen
liplezenhele werkwoord — (las lip)verleden tijd enkelvoud — (lazen lip)verleden tijd meervoud — lipgelezenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | (lees lip) | (las lip) |
| jij | (leest lip) | (las lip) |
| hij, zij, het | (leest lip) | (las lip) |
| wij | (lezen lip) | (lazen lip) |
| jullie | (lezen lip) | (lazen lip) |
| zij | (lezen lip) | (lazen lip) |
Alle 65 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (las lip) | verleden tijd |
| ev. (lees lip) | gebiedende wijs |
| had lipgelezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had lipgelezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had lipgelezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden lipgelezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden lipgelezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden lipgelezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt lipgelezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb lipgelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben lipgelezen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben lipgelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben lipgelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben lipgelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt lipgelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft lipgelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft lipgelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| lip) te (lezen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| lipgelezen | verleden tijd, deelwoord |
| lipgelezen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| lipgelezen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| liplas | bijzin, verleden tijd |
| liplazen | bijzin, verleden tijd |
| liplees | bijzin, tegenwoordige tijd |
| lipleest | bijzin, tegenwoordige tijd |
| liplezend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben lipgelezen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen liplezen lip) te zullen (lezen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal lipgelezen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal lipgelezen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal lipgelezen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal liplezen lip) zal (lezen | bijzin, toekomende tijd |
| zal liplezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal liplezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal liplezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou lipgelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou lipgelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou lipgelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou liplezen lip) zou (lezen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou liplezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou liplezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou liplezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou(dt) liplezen lip) zou(dt) (lezen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden lipgelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden lipgelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden lipgelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden liplezen lip) zouden (lezen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden liplezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden liplezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden liplezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt lipgelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt liplezen lip) zoudt (lezen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt liplezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen lipgelezen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen lipgelezen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen lipgelezen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen liplezen lip) zullen (lezen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen liplezen lip) zullen (lezen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen liplezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen liplezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen liplezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult lipgelezen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult liplezen lip) zult (lezen | bijzin, toekomende tijd |
| zult liplezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult/zal liplezen lip) zult/zal (lezen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van lip zn en lezen ww
Woordfamilie van liplezen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lipgelezen | voltooid deelwoord | liplezen |
| liplees | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | liplezen |
| lipleest | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | liplezen |
| liplezend | onvoltooid deelwoord | liplezen |
| liplezende | woordvorm | liplezen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van liplezen zijn vastgelegd.