liefkozen
werkwoordBetekenis
- middels woorden en gebaren laten weten dat men iets of iemand aardig of lief vindt
Vervoeging van liefkozen
liefkozenhele werkwoord — liefkoosdeverleden tijd enkelvoud — liefkoosdenverleden tijd meervoud — geliefkoosdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | liefkoos | liefkoosde |
| jij | liefkoost | liefkoosde |
| hij, zij, het | liefkoost | liefkoosde |
| wij | liefkozen | liefkoosden |
| jullie | liefkozen | liefkoosden |
| zij | liefkozen | liefkoosden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geliefkoosd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geliefkoosd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geliefkoosd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geliefkoosd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geliefkoosd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geliefkoosd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geliefkoosd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geliefkoosd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geliefkoosd | verleden tijd, deelwoord |
| geliefkoosd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geliefkoosd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geliefkoosd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geliefkoosd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geliefkoosd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geliefkoosd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geliefkoosd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geliefkoosd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geliefkoosd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geliefkoosd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geliefkoosd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geliefkoosd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geliefkoosd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geliefkoosd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geliefkoosd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geliefkoosd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geliefkoosd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| liefkoos | gebiedende wijs |
| liefkoosde | verleden tijd |
| liefkoze | aanvoegende wijs |
| liefkozend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geliefkoosd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te liefkozen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen liefkozen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geliefkoosd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geliefkoosd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geliefkoosd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal liefkozen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal liefkozen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal liefkozen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geliefkoosd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geliefkoosd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geliefkoosd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou liefkozen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou liefkozen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou liefkozen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geliefkoosd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geliefkoosd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geliefkoosd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden liefkozen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden liefkozen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden liefkozen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geliefkoosd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt liefkozen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geliefkoosd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geliefkoosd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geliefkoosd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen liefkozen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen liefkozen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen liefkozen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen liefkozen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geliefkoosd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult liefkozen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘lief spreken’ voor het eerst aangetroffen in 1300
Woordfamilie van liefkozen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geliefkoosd | voltooid deelwoord | liefkozen |
| liefkoos | gebiedende wijs | liefkozen |
| liefkoosde | verleden tijd | liefkozen |
| liefkoosden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | liefkozen |
| liefkoost | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | liefkozen |
| liefkoze | aanvoegende wijs | liefkozen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van liefkozen zijn vastgelegd.