strelen
werkwoordBetekenis
- zachtjes met de hand over iets strijken
- zich ~: zichzelf zachtjes aaien
werkwoord
- zachtjes met de hand over iets of iemand strijken transitive
- liefkozen, versterken figuratively
Vervoeging van strelen
strelenhele werkwoord — streeldeverleden tijd enkelvoud — streeldenverleden tijd meervoud — gestreeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | streel | streelde |
| jij | streelt | streelde |
| hij, zij, het | streelt | streelde |
| wij | strelen | streelden |
| jullie | strelen | streelden |
| zij | strelen | streelden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gestreeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gestreeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gestreeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gestreeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gestreeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gestreeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gestreeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gestreeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gestreeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gestreeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gestreeld | verleden tijd, deelwoord |
| gestreeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gestreeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gestreeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestreeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestreeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestreeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gestreeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gestreeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gestreeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gestreeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gestreeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gestreeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gestreeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gestreeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gestreeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gestreeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gestreeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gestreeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestreeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gestreeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestreeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gestreeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gestreeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestreeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestreeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gestreeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gestreeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| streel | gebiedende wijs |
| streel me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| streel u/je , streelt je | gebiedende wijs |
| streelde | verleden tijd |
| streelde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| streelde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| streelde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| streelde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| streelde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| streelde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| streelde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| streelden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| streelden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| streelden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| streelt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| streelt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| streelt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| streelt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| streelt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| streelt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| strele | aanvoegende wijs |
| strele zich | aanvoegende wijs |
| strelen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| strelen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| strelen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| strelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gestreeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te strelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen strelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gestreeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gestreeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gestreeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gestreeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gestreeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gestreeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gestreeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gestreeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gestreeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gestreeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gestreeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gestreeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gestreeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gestreeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gestreeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gestreeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gestreeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gestreeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gestreeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gestreeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gestreeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestreeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gestreeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gestreeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestreeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gestreeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestreeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me strelen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal strelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal strelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal strelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich strelen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je strelen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gestreeld hebben | verleden tijd |
| zich strelend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn gestreeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gestreeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gestreeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gestreeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gestreeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestreeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestreeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gestreeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestreeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gestreeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestreeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestreeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestreeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou strelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou strelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou strelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gestreeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestreeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestreeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gestreeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gestreeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gestreeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gestreeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestreeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestreeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden strelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden strelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden strelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gestreeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gestreeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gestreeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt strelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gestreeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gestreeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gestreeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gestreeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘aaien’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1450
Woordfamilie van strelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gestreeld | voltooid deelwoord | strelen |
| gestreelde | woordvorm | strelen |
| streel | gebiedende wijs | strelen |
| streelde | verleden tijd | strelen |
| streelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | strelen |
| streelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | strelen |
| strele | aanvoegende wijs | strelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van strelen zijn vastgelegd.