Naar de inhoud

strelen

zachtjes met de hand over iets strijken

strelen

werkwoord

Betekenis

  1. zachtjes met de hand over iets strijken
  2. zich ~: zichzelf zachtjes aaien

werkwoord

  1. zachtjes met de hand over iets of iemand strijken transitive
  2. liefkozen, versterken figuratively

Vervoeging van strelen

strelenhele werkwoord — streeldeverleden tijd enkelvoud — streeldenverleden tijd meervoud — gestreeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik streel streelde
jij streelt streelde
hij, zij, het streelt streelde
wij strelen streelden
jullie strelen streelden
zij strelen streelden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gestreeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gestreeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gestreeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gestreeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gestreeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gestreeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gestreeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gestreeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gestreeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gestreeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gestreeld verleden tijd, deelwoord
gestreeld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gestreeld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gestreeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gestreeld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gestreeld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gestreeld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gestreeld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gestreeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gestreeld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gestreeld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gestreeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gestreeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gestreeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gestreeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gestreeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gestreeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gestreeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gestreeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gestreeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gestreeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gestreeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gestreeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gestreeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gestreeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gestreeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gestreeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gestreeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
streel gebiedende wijs
streel me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
streel u/je , streelt je gebiedende wijs
streelde verleden tijd
streelde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
streelde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
streelde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
streelde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
streelde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
streelde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
streelde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
streelden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
streelden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
streelden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
streelt je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
streelt u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
streelt u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
streelt zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
streelt zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
streelt zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
strele aanvoegende wijs
strele zich aanvoegende wijs
strelen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
strelen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
strelen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
strelend onvoltooid, deelwoord
te hebben gestreeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te strelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen strelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gestreeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gestreeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gestreeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gestreeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gestreeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gestreeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gestreeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gestreeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gestreeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gestreeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gestreeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gestreeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gestreeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gestreeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gestreeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gestreeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gestreeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gestreeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gestreeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gestreeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gestreeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gestreeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gestreeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gestreeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gestreeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gestreeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gestreeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me strelen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal strelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal strelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal strelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich strelen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je strelen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich gestreeld hebben verleden tijd
zich strelend onvoltooid, deelwoord
zijn gestreeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gestreeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gestreeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gestreeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gestreeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gestreeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gestreeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gestreeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gestreeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gestreeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gestreeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gestreeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gestreeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou strelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou strelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou strelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gestreeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gestreeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gestreeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gestreeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gestreeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gestreeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gestreeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gestreeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gestreeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden strelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden strelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden strelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gestreeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gestreeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gestreeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt strelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gestreeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gestreeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gestreeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gestreeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘aaien’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1450

Woordfamilie van strelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gestreeld voltooid deelwoord strelen
gestreelde woordvorm strelen
streel gebiedende wijs strelen
streelde verleden tijd strelen
streelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon strelen
streelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon strelen
strele aanvoegende wijs strelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van strelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over strelen

Wat is de betekenis van strelen?
Strelen is een werkwoord. De betekenis is: zachtjes met de hand over iets strijken. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik strelen?
Zo vervoeg je strelen zo: de tegenwoordige tijd is streel, de verleden tijd is streelde en het voltooid deelwoord is gestreeld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord strelen is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. T 2
  3. R 2
  4. E 1
  5. L 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

strelen levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 94 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. T 2
  3. R 2
  4. E 1
  5. L 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 12 zonder bonus
  9. 94 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

strelen telt 7 letters, waarvan 6 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

strelen in het kort

strelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van strelen staan er 103 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort strelen bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

strelen: zachtjes met de hand over iets strijken
Deel strelen — standaardnederlands.nl