Naar de inhoud

liberaliseren

vrijer maken, bevrijden (van beperkingen of belemmeringen meestal in de economie)

liberaliseren

werkwoord

Betekenis

  1. vrijer maken, bevrijden (van beperkingen of belemmeringen meestal in de economie)

Vervoeging van liberaliseren

liberaliserenhele werkwoord — liberaliseerdeverleden tijd enkelvoud — liberaliseerdenverleden tijd meervoud — geliberaliseerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik liberaliseer liberaliseerde
jij liberaliseert liberaliseerde
hij, zij, het liberaliseert liberaliseerde
wij liberaliseren liberaliseerden
jullie liberaliseren liberaliseerden
zij liberaliseren liberaliseerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geliberaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geliberaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geliberaliseerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geliberaliseerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geliberaliseerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geliberaliseerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geliberaliseerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geliberaliseerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geliberaliseerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geliberaliseerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geliberaliseerd verleden tijd, deelwoord
geliberaliseerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geliberaliseerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geliberaliseerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geliberaliseerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geliberaliseerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geliberaliseerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geliberaliseerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geliberaliseerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geliberaliseerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geliberaliseerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geliberaliseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geliberaliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geliberaliseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geliberaliseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geliberaliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geliberaliseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geliberaliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geliberaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geliberaliseerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geliberaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geliberaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geliberaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geliberaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geliberaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geliberaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geliberaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geliberaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
liberaliseer gebiedende wijs
liberaliseerde verleden tijd
liberalisere aanvoegende wijs
liberaliserend onvoltooid, deelwoord
te hebben geliberaliseerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te liberaliseren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen liberaliseren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geliberaliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geliberaliseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geliberaliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geliberaliseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geliberaliseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geliberaliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geliberaliseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geliberaliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geliberaliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geliberaliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geliberaliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geliberaliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geliberaliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geliberaliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geliberaliseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geliberaliseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geliberaliseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geliberaliseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geliberaliseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geliberaliseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geliberaliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geliberaliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geliberaliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geliberaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geliberaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geliberaliseerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geliberaliseerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal liberaliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal liberaliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal liberaliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geliberaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geliberaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geliberaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geliberaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geliberaliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geliberaliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geliberaliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geliberaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geliberaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geliberaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geliberaliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geliberaliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geliberaliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou liberaliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou liberaliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou liberaliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geliberaliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geliberaliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geliberaliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geliberaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geliberaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geliberaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geliberaliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geliberaliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geliberaliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden liberaliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden liberaliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden liberaliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geliberaliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geliberaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geliberaliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt liberaliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geliberaliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geliberaliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geliberaliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geliberaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geliberaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geliberaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geliberaliseerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geliberaliseerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geliberaliseerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen liberaliseren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen liberaliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen liberaliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen liberaliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geliberaliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geliberaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geliberaliseerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult liberaliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bevrijden van beperkingen’ voor het eerst aangetroffen in 1855

Woordfamilie van liberaliseren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geliberaliseerd voltooid deelwoord liberaliseren
geliberaliseerde woordvorm liberaliseren
liberaliseer gebiedende wijs liberaliseren
liberaliseerde verleden tijd liberaliseren
liberaliseerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon liberaliseren
liberaliseert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon liberaliseren
liberalisere aanvoegende wijs liberaliseren
liberaliserend onvoltooid deelwoord liberaliseren
liberaliserende woordvorm liberaliseren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van liberaliseren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over liberaliseren

Wat is de betekenis van liberaliseren?
Liberaliseren is een werkwoord. De betekenis is: vrijer maken, bevrijden (van beperkingen of belemmeringen meestal in de economie).
Hoe vervoeg ik liberaliseren?
Zo vervoeg je liberaliseren zo: de tegenwoordige tijd is liberaliseer, de verleden tijd is liberaliseerde en het voltooid deelwoord is geliberaliseerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord liberaliseren is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. L 3
  2. I 1
  3. B 3
  4. E 1
  5. R 2
  6. A 1
  7. L 3
  8. I 1
  9. S 2
  10. E 1
  11. R 2
  12. E 1
  13. N 1
  14. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

liberaliseren levert met Wordfeud minimaal 25 en maximaal 99 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. L 3
  2. I 2
  3. B 4
  4. E 1
  5. R 2
  6. A 1
  7. L 3
  8. I 2
  9. S 2
  10. E 1
  11. R 2
  12. E 1
  13. N 1
  14. 25 zonder bonus
  15. 99 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

liberaliseren in het kort

liberaliseren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van liberaliseren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort liberaliseren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

liberaliseren: vrijer maken, bevrijden (van beperkingen of belemmeringen meestal in de economie)
Deel liberaliseren — standaardnederlands.nl