lenigen
werkwoordBetekenis
- verzachten, minder maken
werkwoord
- verzachten, minder indringend of nijpend maken transitive
- inlossen transitive
Vervoeging van lenigen
lenigenhele werkwoord — lenigdeverleden tijd enkelvoud — lenigdenverleden tijd meervoud — gelenigdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | lenig | lenigde |
| jij | lenigt | lenigde |
| hij, zij, het | lenigt | lenigde |
| wij | lenigen | lenigden |
| jullie | lenigen | lenigden |
| zij | lenigen | lenigden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gelenigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gelenigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gelenigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gelenigd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gelenigd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gelenigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gelenigd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gelenigd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gelenigd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gelenigd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gelenigd | verleden tijd, deelwoord |
| gelenigd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gelenigd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gelenigd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelenigd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelenigd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelenigd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gelenigd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gelenigd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gelenigd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gelenigd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gelenigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gelenigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gelenigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gelenigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gelenigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gelenigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gelenigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gelenigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelenigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gelenigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelenigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gelenigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gelenigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelenigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelenigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gelenigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gelenigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| lenig | gebiedende wijs |
| lenigde | verleden tijd |
| lenige | aanvoegende wijs |
| lenigend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gelenigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te lenigen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen lenigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gelenigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gelenigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gelenigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gelenigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gelenigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gelenigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gelenigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gelenigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gelenigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gelenigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gelenigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gelenigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gelenigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gelenigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gelenigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gelenigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gelenigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gelenigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gelenigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gelenigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gelenigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelenigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gelenigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gelenigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelenigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gelenigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelenigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal lenigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal lenigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal lenigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gelenigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gelenigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gelenigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gelenigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gelenigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelenigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelenigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gelenigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelenigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gelenigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelenigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelenigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelenigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou lenigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou lenigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou lenigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gelenigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gelenigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gelenigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gelenigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gelenigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gelenigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gelenigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gelenigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gelenigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden lenigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden lenigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden lenigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gelenigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gelenigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gelenigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt lenigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gelenigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gelenigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gelenigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gelenigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gelenigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gelenigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gelenigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gelenigd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gelenigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen lenigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen lenigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen lenigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen lenigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gelenigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gelenigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gelenigd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult lenigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘zacht maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1638
Woordfamilie van lenigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gelenigd | voltooid deelwoord | lenigen |
| gelenigde | woordvorm | lenigen |
| lenigde | verleden tijd | lenigen |
| lenigden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | lenigen |
| lenigend | onvoltooid deelwoord | lenigen |
| lenigende | woordvorm | lenigen |
| lenigt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | lenigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lenigen zijn vastgelegd.