lekrijden
werkwoordBetekenis
- een lekke band krijgen
Vervoeging van lekrijden
lekrijdenhele werkwoord — reed lekverleden tijd enkelvoud — reden lekverleden tijd meervoud — lekgeredenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rij lek | reed lek |
| jij | rijdt lek | reed lek |
| hij, zij, het | rijdt lek | reed lek |
| wij | rijden lek | reden lek |
| jullie | rijden lek | reden lek |
| zij | rijden lek | reden lek |
Alle 46 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. rij lek/ rijd lek | gebiedende wijs |
| lek te rijden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| lek te zullen rijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| lek zal rijden | bijzin, toekomende tijd |
| lek zou rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| lek zouden rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| lek zoudt rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| lek zullen rijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| lek zullen rijden | bijzin, toekomende tijd |
| lek zult rijden | bijzin, toekomende tijd |
| lekgereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| lekgereden | verleden tijd, deelwoord |
| lekgereden te zullen | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| lekgereden zullen | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| lekreden | bijzin, verleden tijd |
| lekreed | bijzin, verleden tijd |
| lekrij | bijzin, tegenwoordige tijd |
| lekrijd | bijzin, tegenwoordige tijd |
| lekrijdend | onvoltooid, deelwoord |
| lekrijdt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| reed lek | verleden tijd |
| te lekgereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen lekrijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal lekrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal lekrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal lekrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal lekrijden | bijzin, toekomende tijd |
| zou lekrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou lekrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou lekrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou lekrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) lekrijden lek zou(dt) rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden lekrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden lekrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden lekrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden lekrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt lekrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt lekrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen lekrijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen lekrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen lekrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen lekrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen lekrijden | bijzin, toekomende tijd |
| zult lekrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult lekrijden | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal lekrijden lek zult/zal rijden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van lek en rijden
Woordfamilie van lekrijden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lekgereden | voltooid deelwoord | lekrijden |
| lekreden | subordinate-clause, verleden tijd | lekrijden |
| lekreed | subordinate-clause, verleden tijd | lekrijden |
| lekrij | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | lekrijden |
| lekrijd | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | lekrijden |
| lekrijde | with-subordinate-clause | lekrijden |
| lekrijdend | onvoltooid deelwoord | lekrijden |
| lekrijdende | woordvorm | lekrijden |
| lekrijdt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | lekrijden |
| reden lek | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | lekrijden |
| reed lek | verleden tijd | lekrijden |
| rij lek | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon | lekrijden |
| rijd lek | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon | lekrijden |
| rijde lek | woordvorm | lekrijden |
| rijden lek | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | lekrijden |
| rijdt lek | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | lekrijden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lekrijden zijn vastgelegd.