leeglopen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈlexlopə(n)Betekenis
- geleidelijk zijn inhoud verliezen
- (pejoratief) luieren
Hoe spreek je leeglopen uit?
/ˈlexlopən/
Leeglopen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| e | veel |
| x | acht |
| o | boot |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- luieren intransitive, pejorative
Vervoeging van leeglopen
leeglopenhele werkwoord — liep leegverleden tijd enkelvoud — liepen leegverleden tijd meervoud — leeggelopenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | loop leeg | liep leeg |
| jij | loopt leeg | liep leeg |
| hij, zij, het | loopt leeg | liep leeg |
| wij | lopen leeg | liepen leeg |
| jullie | lopen leeg | liepen leeg |
| zij | lopen leeg | liepen leeg |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had leeggelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had leeggelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had leeggelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden leeggelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden leeggelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden leeggelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt leeggelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb leeggelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben leeggelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben leeggelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben leeggelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben leeggelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt leeggelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft leeggelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft leeggelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| leeg te lopen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| leeg te zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| leeg zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
| leeg zou lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| leeg zouden lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| leeg zoudt lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| leeg zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| leeg zullen lopen | bijzin, toekomende tijd |
| leeg zult lopen | bijzin, toekomende tijd |
| leeggelopen | verleden tijd, deelwoord |
| leeggelopen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| leeggelopen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| leegliep | bijzin, verleden tijd |
| leegliepen | bijzin, verleden tijd |
| leegloop | bijzin, tegenwoordige tijd |
| leegloopt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| leeglopend | onvoltooid, deelwoord |
| liep leeg | verleden tijd |
| loop leeg | gebiedende wijs |
| te hebben leeggelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen leeglopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal leeggelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal leeggelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal leeggelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal leeglopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal leeglopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal leeglopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal leeglopen | bijzin, toekomende tijd |
| zou leeggelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou leeggelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou leeggelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou leeglopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou leeglopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou leeglopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou leeglopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) leeglopen leeg zou(dt) lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden leeggelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden leeggelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden leeggelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden leeglopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden leeglopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden leeglopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden leeglopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt leeggelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt leeglopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt leeglopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen leeggelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen leeggelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen leeggelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen leeglopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen leeglopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen leeglopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen leeglopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen leeglopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult leeggelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult leeglopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult leeglopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal leeglopen leeg zult/zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord leegloop
Herkomst
samenstelling van leeg en lopen
Woordfamilie van leeglopen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| leeggelopen | voltooid deelwoord | leeglopen |
| leegliep | subordinate-clause, verleden tijd | leeglopen |
| leegliepen | subordinate-clause, verleden tijd | leeglopen |
| leegloopt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | leeglopen |
| leeglope | with-subordinate-clause | leeglopen |
| leeglopend | onvoltooid deelwoord | leeglopen |
| leeglopende | woordvorm | leeglopen |
| liep leeg | verleden tijd | leeglopen |
| liepen leeg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | leeglopen |
| loop leeg | gebiedende wijs | leeglopen |
| loopt leeg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | leeglopen |
| lope leeg | woordvorm | leeglopen |
| lopen leeg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | leeglopen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van leeglopen zijn vastgelegd.