langlaufen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- op latten door de sneeuw voortbewegen
- op latten door de sneeuw ergens heengaan
- een manier van voortbewegen op latten door de sneeuw
Vervoeging van langlaufen
langlaufenhele werkwoord — langlaufteverleden tijd enkelvoud — langlauftenverleden tijd meervoud — gelanglauftvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | langlauf | langlaufte |
| jij | langlauft | langlaufte |
| hij, zij, het | langlauft | langlaufte |
| wij | langlaufen | langlauften |
| jullie | langlaufen | langlauften |
| zij | langlaufen | langlauften |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gelanglauft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gelanglauft | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gelanglauft | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gelanglauft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gelanglauft worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gelanglauft zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gelanglauft worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gelanglauft zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gelanglauft | verleden tijd, deelwoord |
| gelanglauft te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelanglauft zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gelanglauft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gelanglauft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gelanglauft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gelanglauft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gelanglauft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gelanglauft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gelanglauft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gelanglauft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelanglauft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gelanglauft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelanglauft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gelanglauft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gelanglauft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelanglauft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelanglauft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| langlauf | gebiedende wijs |
| langlaufe | aanvoegende wijs |
| langlaufend | onvoltooid, deelwoord |
| langlaufte | verleden tijd |
| te hebben gelanglauft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te langlaufen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen langlaufen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gelanglauft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelanglauft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gelanglauft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal langlaufen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal langlaufen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal langlaufen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gelanglauft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelanglauft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelanglauft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou langlaufen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou langlaufen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou langlaufen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gelanglauft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gelanglauft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gelanglauft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden langlaufen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden langlaufen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden langlaufen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gelanglauft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt langlaufen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gelanglauft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gelanglauft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gelanglauft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen langlaufen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen langlaufen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen langlaufen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen langlaufen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gelanglauft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult langlaufen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
zelfstandig naamwoord — neuter
- wedstrijdsport waarbij de sporters zich voortbewegen op lange ski's
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘skilopen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1924
Woordfamilie van langlaufen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gelanglauft | voltooid deelwoord | langlaufen |
| gelanglaufte | woordvorm | langlaufen |
| langlauf | gebiedende wijs | langlaufen |
| langlaufe | aanvoegende wijs | langlaufen |
| langlaufend | onvoltooid deelwoord | langlaufen |
| langlaufende | woordvorm | langlaufen |
| langlauft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | langlaufen |
| langlaufte | verleden tijd | langlaufen |
| langlauften | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | langlaufen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van langlaufen zijn vastgelegd.