Naar de inhoud

langlaufen

op latten door de sneeuw voortbewegen

langlaufen is meer dan één woord

langlaufen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. op latten door de sneeuw voortbewegen
  2. op latten door de sneeuw ergens heengaan
  3. een manier van voortbewegen op latten door de sneeuw

Vervoeging van langlaufen

langlaufenhele werkwoord — langlaufteverleden tijd enkelvoud — langlauftenverleden tijd meervoud — gelanglauftvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik langlauf langlaufte
jij langlauft langlaufte
hij, zij, het langlauft langlaufte
wij langlaufen langlauften
jullie langlaufen langlauften
zij langlaufen langlauften
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is gelanglauft impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gelanglauft impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gelanglauft impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gelanglauft impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gelanglauft worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gelanglauft zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gelanglauft worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gelanglauft zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gelanglauft verleden tijd, deelwoord
gelanglauft te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gelanglauft zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gelanglauft voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gelanglauft voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gelanglauft voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gelanglauft voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gelanglauft voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gelanglauft voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gelanglauft voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gelanglauft voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gelanglauft actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gelanglauft voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gelanglauft voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gelanglauft voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gelanglauft voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gelanglauft voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gelanglauft voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
langlauf gebiedende wijs
langlaufe aanvoegende wijs
langlaufend onvoltooid, deelwoord
langlaufte verleden tijd
te hebben gelanglauft actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te langlaufen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen langlaufen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gelanglauft hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gelanglauft hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gelanglauft hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal langlaufen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal langlaufen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal langlaufen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gelanglauft hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gelanglauft hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gelanglauft hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou langlaufen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou langlaufen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou langlaufen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gelanglauft hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gelanglauft hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gelanglauft hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden langlaufen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden langlaufen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden langlaufen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gelanglauft hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt langlaufen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gelanglauft hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gelanglauft hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gelanglauft hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen langlaufen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen langlaufen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen langlaufen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen langlaufen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gelanglauft hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult langlaufen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

zelfstandig naamwoord — neuter

  1. wedstrijdsport waarbij de sporters zich voortbewegen op lange ski's

Herkomst

Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘skilopen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1924

Woordfamilie van langlaufen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gelanglauft voltooid deelwoord langlaufen
gelanglaufte woordvorm langlaufen
langlauf gebiedende wijs langlaufen
langlaufe aanvoegende wijs langlaufen
langlaufend onvoltooid deelwoord langlaufen
langlaufende woordvorm langlaufen
langlauft aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon langlaufen
langlaufte verleden tijd langlaufen
langlauften aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon langlaufen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van langlaufen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over langlaufen

Wat is de betekenis van langlaufen?
Langlaufen is een werkwoord. De betekenis is: op latten door de sneeuw voortbewegen. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik langlaufen?
Zo vervoeg je langlaufen zo: de tegenwoordige tijd is langlauf, de verleden tijd is langlaufte en het voltooid deelwoord is gelanglauft. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord langlaufen is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. L 3
  2. A 1
  3. N 1
  4. G 3
  5. L 3
  6. A 1
  7. U 4
  8. F 4
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

langlaufen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. L 3
  2. A 1
  3. N 1
  4. G 3
  5. L 3
  6. A 1
  7. U 2
  8. F 4
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 zonder bonus
  12. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

langlaufen in het kort

langlaufen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van langlaufen staan er 40 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort langlaufen bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

langlaufen: op latten door de sneeuw voortbewegen
Deel langlaufen — standaardnederlands.nl