lamenteren
werkwoordBetekenis
- een jammerklacht aanheffen
Vervoeging van lamenteren
lamenterenhele werkwoord — lamenteerdeverleden tijd enkelvoud — lamenteerdenverleden tijd meervoud — gelamenteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | lamenteer | lamenteerde |
| jij | lamenteert | lamenteerde |
| hij, zij, het | lamenteert | lamenteerde |
| wij | lamenteren | lamenteerden |
| jullie | lamenteren | lamenteerden |
| zij | lamenteren | lamenteerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gelamenteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gelamenteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gelamenteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gelamenteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gelamenteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gelamenteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gelamenteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gelamenteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gelamenteerd | verleden tijd, deelwoord |
| gelamenteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelamenteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gelamenteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gelamenteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gelamenteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gelamenteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gelamenteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gelamenteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gelamenteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gelamenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelamenteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gelamenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelamenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gelamenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gelamenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelamenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelamenteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| lamenteer | gebiedende wijs |
| lamenteerde | verleden tijd |
| lamentere | aanvoegende wijs |
| lamenterend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gelamenteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te lamenteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen lamenteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gelamenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelamenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gelamenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal lamenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal lamenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal lamenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gelamenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelamenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelamenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou lamenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou lamenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou lamenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gelamenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gelamenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gelamenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden lamenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden lamenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden lamenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gelamenteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt lamenteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gelamenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gelamenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gelamenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen lamenteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen lamenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen lamenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen lamenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gelamenteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult lamenteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘jammeren’ voor het eerst aangetroffen in 1384
Woordfamilie van lamenteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gelamenteerd | voltooid deelwoord | lamenteren |
| lamenteer | gebiedende wijs | lamenteren |
| lamenteerde | verleden tijd | lamenteren |
| lamenteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | lamenteren |
| lamenteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | lamenteren |
| lamentere | aanvoegende wijs | lamenteren |
| lamenterend | onvoltooid deelwoord | lamenteren |
| lamenterende | woordvorm | lamenteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lamenteren zijn vastgelegd.