laboreren
werkwoordBetekenis
- lijden, tobben
- met grote moeite ergens aan werken
Vervoeging van laboreren
laborerenhele werkwoord — laboreerdeverleden tijd enkelvoud — laboreerdenverleden tijd meervoud — gelaboreerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | laboreer | laboreerde |
| jij | laboreert | laboreerde |
| hij, zij, het | laboreert | laboreerde |
| wij | laboreren | laboreerden |
| jullie | laboreren | laboreerden |
| zij | laboreren | laboreerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gelaboreerd | verleden tijd, deelwoord |
| gelaboreerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelaboreerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gelaboreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gelaboreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gelaboreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gelaboreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gelaboreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gelaboreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gelaboreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gelaboreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelaboreerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gelaboreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelaboreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gelaboreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gelaboreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelaboreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelaboreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| laboreer | gebiedende wijs |
| laboreerde | verleden tijd |
| laborere | aanvoegende wijs |
| laborerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gelaboreerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te laboreren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen laboreren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gelaboreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelaboreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gelaboreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal laboreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal laboreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal laboreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gelaboreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelaboreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelaboreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou laboreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou laboreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou laboreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gelaboreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gelaboreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gelaboreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden laboreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden laboreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden laboreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gelaboreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt laboreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gelaboreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gelaboreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gelaboreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen laboreren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen laboreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen laboreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen laboreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gelaboreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult laboreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse labourer (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van laboreren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gelaboreerd | voltooid deelwoord | laboreren |
| laboreer | gebiedende wijs | laboreren |
| laboreerde | verleden tijd | laboreren |
| laboreerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | laboreren |
| laboreert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | laboreren |
| laborere | aanvoegende wijs | laboreren |
| laborerend | onvoltooid deelwoord | laboreren |
| laborerende | woordvorm | laboreren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van laboreren zijn vastgelegd.