label
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- kaart met extra informatie, etiket
- cd- of grammofoonplatenmerk
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| labels | meervoud |
| labeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| labeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van labelen
- gebiedende wijs van labelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van labelen
Vervoeging van label
labelhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘etiket’ voor het eerst aangetroffen in 1910
Woordfamilie van label
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| labels | meervoud | label |
| labeltje | verkleinwoord | label |
| labeltjes | verkleinwoord meervoud | label |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van label zijn vastgelegd.