kwantificeren
werkwoordBetekenis
- in hoeveelheden, in een getal uitdrukken
Vervoeging van kwantificeren
kwantificerenhele werkwoord — kwantificeerdeverleden tijd enkelvoud — kwantificeerdenverleden tijd meervoud — gekwantificeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kwantificeer | kwantificeerde |
| jij | kwantificeert | kwantificeerde |
| hij, zij, het | kwantificeert | kwantificeerde |
| wij | kwantificeren | kwantificeerden |
| jullie | kwantificeren | kwantificeerden |
| zij | kwantificeren | kwantificeerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gekwantificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gekwantificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gekwantificeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gekwantificeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gekwantificeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gekwantificeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gekwantificeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gekwantificeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gekwantificeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gekwantificeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gekwantificeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gekwantificeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gekwantificeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gekwantificeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekwantificeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekwantificeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekwantificeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gekwantificeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gekwantificeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gekwantificeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gekwantificeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekwantificeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekwantificeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekwantificeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekwantificeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekwantificeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekwantificeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekwantificeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekwantificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekwantificeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekwantificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekwantificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekwantificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekwantificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekwantificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekwantificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gekwantificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gekwantificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kwantificeer | gebiedende wijs |
| kwantificeerde | verleden tijd |
| kwantificere | aanvoegende wijs |
| kwantificerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gekwantificeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kwantificeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kwantificeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gekwantificeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gekwantificeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gekwantificeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gekwantificeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gekwantificeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gekwantificeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gekwantificeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gekwantificeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gekwantificeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gekwantificeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gekwantificeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gekwantificeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gekwantificeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gekwantificeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gekwantificeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gekwantificeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gekwantificeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gekwantificeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gekwantificeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gekwantificeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gekwantificeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekwantificeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekwantificeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gekwantificeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekwantificeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gekwantificeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekwantificeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kwantificeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kwantificeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kwantificeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gekwantificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gekwantificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gekwantificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gekwantificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gekwantificeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekwantificeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekwantificeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gekwantificeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekwantificeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gekwantificeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekwantificeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekwantificeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekwantificeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kwantificeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kwantificeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kwantificeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekwantificeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekwantificeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekwantificeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gekwantificeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gekwantificeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gekwantificeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gekwantificeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekwantificeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekwantificeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kwantificeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kwantificeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kwantificeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekwantificeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gekwantificeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gekwantificeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kwantificeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekwantificeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekwantificeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekwantificeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gekwantificeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gekwantificeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gekwantificeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gekwantificeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekwantificeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekwantificeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kwantificeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kwantificeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kwantificeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kwantificeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekwantificeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gekwantificeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gekwantificeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kwantificeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘hoeveelheid aangeven’ voor het eerst aangetroffen in 1976
Woordfamilie van kwantificeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekwantificeerd | voltooid deelwoord | kwantificeren |
| gekwantificeerde | woordvorm | kwantificeren |
| kwantificeer | gebiedende wijs | kwantificeren |
| kwantificeerde | verleden tijd | kwantificeren |
| kwantificeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kwantificeren |
| kwantificeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kwantificeren |
| kwantificere | aanvoegende wijs | kwantificeren |
| kwantificerend | onvoltooid deelwoord | kwantificeren |
| kwantificerende | woordvorm | kwantificeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kwantificeren zijn vastgelegd.