kwaadspreken
werkwoordBetekenis
- ~ van: iets of iemand ten onrechte op een slechte manier weergeven
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van kwaadspreken
kwaadsprekenhele werkwoord — sprak kwaadverleden tijd enkelvoud — spraken kwaadverleden tijd meervoud — kwaadgesprokenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spreek kwaad | sprak kwaad |
| jij | spreekt kwaad | spraakt kwaad |
| hij, zij, het | spreekt kwaad | sprak kwaad |
| wij | spreken kwaad | spraken kwaad |
| jullie | spreken kwaad | spraken kwaad |
| zij | spreken kwaad | spraken kwaad |
Alle 83 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is kwaadgesproken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was kwaadgesproken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd kwaadgesproken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt kwaadgesproken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal kwaadgesproken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal kwaadgesproken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou kwaadgesproken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou kwaadgesproken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had kwaadgesproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had kwaadgesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had kwaadgesproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden kwaadgesproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden kwaadgesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden kwaadgesproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt kwaadgesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb kwaadgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben kwaadgesproken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben kwaadgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben kwaadgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben kwaadgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt kwaadgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft kwaadgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft kwaadgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kwaad te spreken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| kwaad te zullen spreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| kwaad zal spreken | bijzin, toekomende tijd |
| kwaad zou spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| kwaad zouden spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| kwaad zoudt spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| kwaad zullen spreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| kwaad zullen spreken | bijzin, toekomende tijd |
| kwaad zult spreken | bijzin, toekomende tijd |
| kwaadgesproken | verleden tijd, deelwoord |
| kwaadgesproken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| kwaadgesproken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| kwaadspraakt | bijzin, verleden tijd |
| kwaadsprak | bijzin, verleden tijd |
| kwaadspraken | bijzin, verleden tijd |
| kwaadspreek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| kwaadspreekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| kwaadsprekend | onvoltooid, deelwoord |
| sprak kwaad | verleden tijd |
| spreek kwaad | gebiedende wijs |
| te hebben kwaadgesproken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kwaadspreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal kwaadgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal kwaadgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal kwaadgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kwaadspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kwaadspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kwaadspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal kwaadspreken | bijzin, toekomende tijd |
| zou kwaadgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou kwaadgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou kwaadgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kwaadspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kwaadspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kwaadspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou kwaadspreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) kwaadspreken kwaad zou(dt) spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden kwaadgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden kwaadgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden kwaadgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kwaadspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kwaadspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kwaadspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden kwaadspreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt kwaadgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kwaadspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt kwaadspreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen kwaadgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen kwaadgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen kwaadgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kwaadspreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kwaadspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kwaadspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kwaadspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen kwaadspreken | bijzin, toekomende tijd |
| zult kwaadgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kwaadspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult kwaadspreken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal kwaadspreken kwaad zult/zal spreken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van kwaad en spreken
Woordfamilie van kwaadspreken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kwaadgesproken | voltooid deelwoord | kwaadspreken |
| kwaadsprak | subordinate-clause, verleden tijd | kwaadspreken |
| kwaadspraken | subordinate-clause, verleden tijd | kwaadspreken |
| kwaadspreek | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | kwaadspreken |
| kwaadspreekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | kwaadspreken |
| kwaadspreke | with-subordinate-clause | kwaadspreken |
| kwaadsprekend | onvoltooid deelwoord | kwaadspreken |
| kwaadsprekende | woordvorm | kwaadspreken |
| spraakt kwaad | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | kwaadspreken |
| sprak kwaad | verleden tijd | kwaadspreken |
| spraken kwaad | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kwaadspreken |
| spreek kwaad | gebiedende wijs | kwaadspreken |
| spreekt kwaad | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kwaadspreken |
| spreke kwaad | woordvorm | kwaadspreken |
| spreken kwaad | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | kwaadspreken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kwaadspreken zijn vastgelegd.